ECLI:NL:CRVB:2004:AR5583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking bijstandsuitkering en opgelegde boete wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand over de periodes 1997-1998 en 1998-1999. Na ontvangst van gegevens van de Belastingdienst over rente op een spaarrekening, stelde de gemeente een onderzoek in waaruit bleek dat appellant het bestaan van deze rekening niet had gemeld. De bijstand werd herzien en teruggevorderd, en een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de besluiten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde het deel van de uitspraak dat het beroep tegen de boete betrof wegens niet-ontvankelijkheid. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende had aangetoond dat een deel van het tegoed toebehoorde aan zijn overleden moeder en dat hij redelijkerwijs over het gehele bedrag beschikte.
De Raad bevestigde dat de intrekking van de bijstand en terugvordering terecht waren, en dat de opgelegde boete niet in strijd was met het recht. Tevens veroordeelde de Raad de gemeente tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Intrekking bijstand en terugvordering bevestigd; beroep tegen boete niet-ontvankelijk verklaard.