ECLI:NL:CRVB:2003:AF5524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Herziening boeteoplegging bij intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 2 juli 1998 een bijstandsuitkering als alleenstaande woningdeler. Gedaagde stelde een onderzoek in naar de vermeende gezamenlijke huishouding met appellant, waarbij bleek dat appellanten feitelijk samenwoonden en zorg droegen voor elkaar, wat niet strookte met de opgegeven commerciële relatie. Op grond hiervan werd de uitkering met ingang van 1 februari 1999 beëindigd, de uitkering over de periode 2 juli 1998 tot 1 februari 1999 ingetrokken en teruggevorderd, en een boete opgelegd.
De Raad oordeelde dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 3, derde lid, van de Abw, en dat appellante haar inlichtingenplicht niet was nagekomen. Het opleggen van een boete was daarom terecht, maar de hoogte van de boete moest worden herzien vanwege het in werking treden van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten, dat een lagere boete voorschrijft.
De Raad vernietigde het besluit over de boetehoogte en legde een boete van € 627,- op, bevestigde de overige besluiten van gedaagde en veroordeelde gedaagde tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.
Uitkomst: De boete aan appellante wordt verlaagd tot € 627,-, overige besluiten worden bevestigd.