ECLI:NL:CRVB:2005:AS8449
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van opzegtermijn conform CAO en wettelijke bepalingen bij WW-uitkering
Appellant heeft per 1 januari 2002 een WW-uitkering aangevraagd na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst per 1 januari 2002. Gedaagde, het UWV, stelde een opzegtermijn van vijf maanden vast op grond van artikel 16, derde lid, van de WW, artikel 7:672 BW Pro en artikel 6 van Pro de toepasselijke CAO. Appellant betwistte deze termijn en stelde dat de opzegtermijn een maand korter, namelijk vier maanden, zou moeten zijn.
De rechtbank Roermond oordeelde dat de opzegtermijn op grond van de CAO en de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (wet F en Z) correct was toegepast, waarbij de opzegtermijn van zes maanden voor oudere werknemers met een maand werd gekort conform de wettelijke regeling. De Raad herhaalt in haar uitspraak van 2 februari 2005 dat de verwijzing in de CAO naar artikel XXI van de wet F en Z als een schriftelijke afwijking van de wettelijke opzegtermijn moet worden gezien, die geoorloofd is op grond van artikel 7:672, vijfde lid, BW.
De Raad wijst het beroep van appellant af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Raad acht geen reden aanwezig om af te wijken van de vastgestelde opzegtermijn en ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak is gegeven in het openbaar op 2 februari 2005.
Uitkomst: De opzegtermijn van vijf maanden is correct vastgesteld en het beroep van appellant wordt afgewezen.