ECLI:NL:CRVB:2000:AA7325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- W.D.M. van Diepenbeek
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking AAW/WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 1977 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving wegens een wervelontsteking, kreeg per 1 juni 1997 zijn uitkering ingetrokken omdat zijn arbeidsongeschiktheid volgens een herbeoordeling minder dan 15% bedroeg. Het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (gedaagde) baseerde dit op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, waarbij appellant wel beperkingen had maar geschikt werd geacht voor geselecteerde functies.
Appellant voerde aan dat zijn beperkingen zwaarder waren dan vastgesteld en verwees naar een orthopedisch rapport dat sprak van frequent pijnlijke perioden die hem arbeidsongeschikt maakten. De Raad onderzocht of de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, die sinds 1 maart 1997 geldt, verenigbaar is met de relevante wetsartikelen (art. 5 AAW Pro, 18 WAO, 3:2 Awb) en concludeerde dat deze richtlijn niet in strijd is met deze bepalingen.
De Raad oordeelde dat gedaagde de richtlijn correct had toegepast en dat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig was, ook gezien de aanvullende informatie over rug- en cardiale klachten. Het rapport van de orthopedisch chirurg was onvoldoende onderbouwd met objectiveerbare medische gegevens en kon de eerdere bevindingen niet weerleggen.
Daarom werden de grieven van appellant verworpen en de intrekking van de uitkering bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor nader onderzoek en vond dat het besluit niet in strijd was met de zorgvuldigheidsvereisten van de Awb.
Uitkomst: De intrekking van de AAW/WAO-uitkering per 1 juni 1997 wordt bevestigd omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is.