ECLI:NL:CRVB:1998:AA8704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.F.M. Brenninkmeijer
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht directeur-grootaandeelhouders bij ongelijk aandelenbezit en gezagsverhouding
De zaak betreft een geschil over de verzekeringsplicht van drie directeur-grootaandeelhouders (A, B en C) van B.V. X, waarbij de vraag centraal stond of zij als werknemers in dienstbetrekking stonden tot de vennootschap. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met een gezagsverhouding, ondanks dat de aandelen verdeeld waren over vier aandeelhouders met een ongelijke verdeling (16,67%, 16,67%, 16,67% en 50%).
De Raad overwoog dat de juridische vormgeving en de feitelijke omstandigheden, waaronder de beperkte zeggenschap van de drie broers door het meerderheidsbelang van de vierde aandeelhouder Z, wezen op een gezagsverhouding. De stemovereenkomst tussen de broers was niet doorslaggevend omdat deze geen garantie bood tegen onwelgevallige besluiten in de algemene vergadering. De vergelijking met een commanditaire vennootschap werd verworpen omdat Z wel degelijk alle bevoegdheden had die een meerderheidsaandeelhouder toekomen.
De Raad concludeerde dat de broers verplicht verzekerd zijn vanaf 1 januari 1991 en dat de vennootschap als werkgever moet worden aangemerkt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Hiermee werd de verzekeringsplicht op grond van de Ziektewet en Werkloosheidswet gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verzekeringsplicht van de directeur-grootaandeelhouders wordt bevestigd.