ECLI:NL:CBB:2026:5
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- T. Pavićević
- M.J. Jacobs
- P.H.A. Knol
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van de uitspraak inzake overtredingen van de Wet dieren door een varkenshouder
In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over een varkenshouder die in beroep ging tegen een boete opgelegd door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselveiligheid en Natuur. De varkenshouder was beboet voor het niet voldoen aan de eisen van de Wet dieren, specifiek artikel 2.22 van het Besluit houders van dieren, dat vereist dat varkens permanent beschikken over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen. Tijdens een inspectie door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 17 augustus 2022 werd vastgesteld dat de varkens niet over voldoende verrijkingsmateriaal beschikten. De rechtbank Rotterdam had eerder geoordeeld dat de varkenshouder de overtredingen had begaan en dat de opgelegde boete van € 1.500,- terecht was. In hoger beroep heeft de varkenshouder betoogd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft meegewogen dat er geen verwondingen bij de varkens waren geconstateerd. Het College heeft echter geoordeeld dat het ontbreken van verwondingen niet betekent dat er geen risico op agressie en bijtgedrag was, en dat de varkenshouder niet voldeed aan de wettelijke eisen voor verrijking. Het College bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de minister terecht had vastgesteld dat de varkenshouder de wet had overtreden. De varkenshouder is verantwoordelijk voor het bieden van adequaat nestmateriaal aan zeugen en gelten in de laatste week voor het werpen, en het College oordeelde dat de minister niet hoefde aan te tonen dat de dieren zich in die fase bevonden. De uitspraak bevestigt de noodzaak voor varkenshouders om te voldoen aan de wettelijke eisen voor dierenwelzijn.