Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Voorzitter: mr. D. Brugman
Partijen
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid)
Overwegingen en beslissing
€ 934,-).
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen zes uitspraken van de rechtbank Rotterdam, waarin haar beroepen tegen boetebesluiten van de staatssecretaris wegens overtredingen van de Wet dieren ongegrond werden verklaard.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 3 juni 2026 mondeling uitspraak gedaan. In algemene overwegingen bevestigt het College dat het rapport van de toezichthouder als uitgangspunt geldt, tenzij appellante dit concreet betwist. In de meeste zaken volgt het College het oordeel van de rechtbank, maar in enkele zaken wordt de boete gematigd of vernietigd.
In zaak 24/446 wordt de boete wegens vallende waterdruppels op vlees gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. In zaak 24/535 wordt de boete wegens overtreding van artikel 2.17 Besluit houders van dieren vernietigd omdat het slachthuis niet als varkenshouder wordt aangemerkt, en wordt schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding.
In andere zaken bevestigt het College de boetes en oordelen van de rechtbank, onder meer over waterdruppels op naakte hammen, het gescheiden houden van dierlijke bijproducten, hygiëne in bedrijfsruimten en verzorging van overliggers. Het College veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van griffierechten en proceskosten waar van toepassing.
Uitkomst: Het College matigt of vernietigt enkele boetes wegens overtredingen Wet dieren, bevestigt andere boetes, en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van griffierechten, proceskosten en schadevergoeding.