Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:282

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
24/765
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Elektriciteitswet 1998Art. 7.1 Netcode ElektriciteitArt. 3.7.4 Tarievencode ElektriciteitArt. 7.13 Netcode Elektriciteit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op verhoging gecontracteerd transportvermogen elektriciteit bij congestie

NorthC exploiteert een datacenter en had een aansluit- en transportovereenkomst (ATO) met Liander voor 15.000 kW gecontracteerd transportvermogen. Gedurende jaren gaf NorthC echter lagere waarden op, variërend tussen 3.000 en 6.500 kW, waarop ook de tarieven werden gebaseerd. In oktober 2023 vroeg NorthC om terugkeer naar 15.000 kW, maar Liander weigerde dit vanwege congestie.

NorthC stelde dat zij recht had op het volledige vermogen uit de ATO en dat Liander in strijd handelde met de Elektriciteitswet en Netcode door dit niet beschikbaar te stellen. De ACM verklaarde de klacht ongegrond, stellende dat het recht op transport gebaseerd is op de laatst opgegeven waarde volgens de Tarievencode, die ook bepalend is voor het tarief.

Het College bevestigt deze uitleg en oordeelt dat de Netcode, Tarievencode en Begrippencode in samenhang moeten worden begrepen. De opgegeven waarde volgens artikel 3.7.4 van de Tarievencode bepaalt het gecontracteerde en beschikbaar gestelde vermogen. De weigering van Liander is daarom gerechtvaardigd. Civielrechtelijke gevolgen van de ATO-uitvoering blijven buiten beschouwing.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ACM hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van NorthC wordt ongegrond verklaard en Liander mag het verzoek tot verhoging van het gecontracteerd transportvermogen weigeren wegens congestie.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/765

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

NorthC Datacenters B.V., te Oude Meer (NorthC)

(gemachtigde: mr. M.R. het Lam)
en

de Autoriteit Consument en Markt (ACM)

(gemachtigden: mr. N.W.S. van Kampen en mr. J. de Vries)
met als derde partij
Liander N.V., te Arnhem
(gemachtigde: mr. R.W. de Vlam)

Procesverloop in beroep

NorthC heeft tegen het geschilbesluit van de ACM van 19 juli 2024 beroep ingesteld.
De ACM heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 27 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen. Verder hebben deelgenomen namens NorthC [naam 1], namens de ACM mr. [naam 2] en mr. [naam 3] en namens Liander mr. [naam 4].

Inleiding

1.1
NorthC exploiteert een datacenter in Almere. Voor dit datacenter hebben de rechtsvoorgangers van NorthC en Liander op 16 juli 2008 een aansluit- en transportovereenkomst (ATO) afgesloten voor een gecontracteerd transportvermogen van 15.000 kW. Van het afsluiten van de ATO in 2008 tot eind 2022 heeft NorthC bij herhaling een lager gecontracteerd transportvermogen opgegeven aan de netbeheerder dan de 15.000 kW uit de ATO. Deze opgegeven waarde varieerde tussen de 3.000 en (uiteindelijk) 6.500 kW. Het over die jaren aan NorthC in rekening gebrachte tarief voor de transportcapaciteit is gebaseerd op deze door NorthC opgegeven waarden.
1.2
Op 1 oktober 2023 heeft NorthC aan de netbeheerder een nieuwe waarde van het gecontracteerd transportvermogen doorgegeven van 15.000 kW. Liander heeft op 6 februari 2024 aangegeven dat het verzoek van NorthC om 15.000 kW toegekend te krijgen niet kan worden gehonoreerd omdat sprake is van congestie.
1.3
Volgens NorthC heeft zij een vast recht op het in de ATO overeengekomen vermogen van 15.000 kW. Door dit vermogen niet aan haar ter beschikking te stellen handelt Liander volgens NorthC in strijd met de Elektriciteitswet 1998 (Elektriciteitswet) en de Netcode Elektriciteit (Netcode). NorthC heeft daarom een klacht ingediend bij de ACM.
1.4
Met het geschilbesluit van 19 juli 2024 heeft de ACM de klacht van NorthC ongegrond verklaard. Op grond van artikel 7.1, tweede lid, van de Netcode heeft de aangeslotene een vast recht op transport van elektriciteit tot een hoeveelheid ter grootte van het op de aansluiting gecontracteerde en beschikbaar gestelde vermogen. Volgens de ACM volgt uit de systematiek van de Elektriciteitswet dat de daarop gebaseerde Begrippencode Elektriciteit (Begrippencode), Netcode en Tarievencode Elektriciteit (Tarievencode) in onderlinge samenhang moeten worden begrepen. Dat leidt volgens de ACM tot de conclusie dat het door NorthC op grond van artikel 3.7.4 van de Tarievencode doorgegeven (lagere) gecontracteerde transportvermogen gelijk staat aan het gecontracteerde en ter beschikking gestelde vermogen zoals opgenomen in artikel 7.1, tweede lid, van de Netcode. Het transporttarief dat aan NorthC in rekening is gebracht is ook (onder meer) gebaseerd op de tariefdrager voor het transportafhankelijk verbruikers transporttarief (TAVT), zijnde kWgecontracteerd, dat ziet op het gecontracteerd transportvermogen dat NorthC op grond van artikel 3.7.4 van de Tarievencode heeft doorgegeven. De ACM concludeert dat NorthC gelet daarop recht heeft op een gecontracteerd transportvermogen ter grootte van het laatst doorgegeven transportvermogen. Liander heeft daarom volgens de ACM op 6 februari 2024 terecht gesteld dat zij op grond van de Elektriciteitswet niet een gecontracteerd transportvermogen van 15.000 kW ter beschikking hoefde te stellen aan NorthC.

Wettelijk kader

2.1
Op 1 januari 2026 is de Energiewet in werking getreden. Hiermee is de Elektriciteitswet 1998 komen te vervallen. Omdat het geschilbesluit nog is genomen op grond van de Elektriciteitswet, is de Elektriciteitswet van toepassing bij deze beoordeling.
2.2
Het toepasselijke wettelijke kader, zoals op het moment van het geschilbesluit gold, is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het beroep

3.1
In artikel 7.1, tweede lid, van de Netcode (zoals dat gold op het moment van het geschilbesluit) is bepaald dat de aangeslotene een vast recht heeft op transport van elektriciteit door heel Nederland tot een hoeveelheid ter grootte van het op de aansluiting gecontracteerde en beschikbaar gestelde vermogen. In artikel 3.7.4 van de Tarievencode (zoals dat gold op het moment van het geschilbesluit) is bepaald dat onder gecontracteerd transportvermogen wordt verstaan dat vermogen dat een verbruiker redelijkerwijs verwacht maximaal op enig moment in het jaar nodig te hebben voor zijn aansluiting, en ook dat iedere verbruiker met een aansluiting groter dan 3x80A verplicht is om aan de netbeheerder een waarde voor het gecontracteerde transportvermogen op te geven. Deze waarde dient gelijk of kleiner te zijn dan de waarde van de gewenste aansluitcapaciteit.
3.2
De vraag die beantwoord moet worden is of Liander bij het transport van elektriciteit aan NorthC dient uit te gaan van de destijds in de ATO overeengekomen waarde van 15.000 kW, ofwel zich dient te baseren op de lagere waarde van de opgave van het gecontracteerd transportvermogen die door NorthC is gedaan op grond van artikel 3.7.4 van de Tarievencode. Als uitgegaan dient te worden van de opgegeven lagere waarde betekent dit dat Liander bij een verzoek van NorthC om een hogere waarde, op grond van artikel 24, tweede lid, van de Elektriciteitswet een aanbod tot transport van elektriciteit kan weigeren als sprake is van congestie. Of een verzoek om verhoging van de waarde van het gecontracteerd transportvermogen kan worden gehonoreerd is in dat geval dus afhankelijk van de beschikbaarheid van elektriciteit.
3.3
Voor de bepaling van het recht op het door haar gecontracteerde transportvermogen is volgens NorthC artikel 7.1, tweede lid, van de Netcode bepalend. Daaruit volgt volgens NorthC dat Liander het in de ATO vastgelegde recht op gecontracteerd transportvermogen (15.000 kW) dient te respecteren. Deze bepaling biedt volgens NorthC de zekerheid dat de door haar gecontracteerde transportcapaciteit wanneer zij die nodig heeft, ook daadwerkelijk beschikbaar is. Artikel 3.7.4 van de Tarievencode ziet volgens NorthC alleen op transportcapaciteit die daadwerkelijk wordt gebruikt en waarvoor een transporttarief in rekening wordt gebracht. Artikel 7.1, tweede lid, van de Netcode regelt een ander onderwerp en ziet zowel op gebruikte als ongebruikte transportcapaciteit. Van een koppeling tussen beide bepalingen is volgens NorthC geen sprake. Dat het begrip ‘gecontracteerd transportvermogen’ uit artikel 3.7.4 van de Tarievencode en ‘gecontracteerd transportvermogen’ uit de Begrippencode dezelfde duiding en betekenis hebben als het begrip ‘gecontracteerde en beschikbaar gestelde vermogen’ uit artikel 7.1, tweede lid, van de Netcode bestrijdt NorthC dan ook.
3.4
NorthC voert verder aan dat de uitleg die de ACM geeft aan artikel 3.7.4 van de Tarievencode geen ruimte laat voor gevallen waarin een afnemer zoals NorthC gedurende meerdere jaren kan beschikken over gecontracteerde maar vooralsnog niet gebruikte transportrechten. NorthC wijst er daarbij op dat zij op grond van artikel 3.7.4 van de Tarievencode de verplichting heeft om een waarde op te geven voor het door haar gecontracteerde transportvermogen. Artikel 3.7.4 van de Tarievencode staat er volgens haar aan in de weg om een waarde van 15.000 kW op te geven als zij redelijkerwijs weet dat zij het komend jaar verwacht een lagere waarde nodig te hebben. Dat transportrechten hierdoor zouden komen te vervallen, verdraagt zich niet met artikel 7.13 van de Netcode waarin uitdrukkelijk de mogelijkheid is gelaten dat een afnemer kan beschikken over door hem gecontracteerde transportrechten die vooralsnog niet worden gebruikt.
3.5
Het beroep van NorthC slaagt niet. Het College overweegt daartoe als volgt.
3.6
Het College stelt voorop dat, zoals de ACM terecht heeft geconcludeerd, de Netcode, de Tarievencode, en de Begrippencode binnen het systeem van gereguleerde toegang tot transport van elektriciteit zoals neergelegd in de Elektriciteitswet, in onderlinge samenhang moeten worden begrepen. Het betoog van NorthC dat met het begrip ‘gecontracteerde en beschikbaar gestelde vermogen’ uit artikel 7.1, tweede lid, van de Netcode op een ander vermogen wordt gedoeld dan op het vermogen dat wordt aangeduid met het begrip ‘gecontracteerd transportvermogen’ uit artikel 3.7.4 van de Tarievencode, volgt het College niet.
3.7
NorthC heeft na het sluiten van de ATO een aantal keer op grond van artikel 3.7.4 van de Tarievencode een waarde voor het gecontracteerde transportvermogen opgegeven bij de netbeheerder die lager was dan de waarde van de ATO. Een dergelijke opgave op grond van artikel 3.7.4 van de Tarievencode heeft, anders dan NorthC betoogt, niet alleen invloed op de hoogte van het tarief, maar heeft ook gevolgen voor het vast recht op transport van elektriciteit. De waarde die op grond van artikel 3.7.4 van de Tarievencode wordt opgegeven, is het nieuwe gecontracteerde en beschikbaar gestelde vermogen als bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, van de Netcode. De basis voor het tarief dat de afnemer betaalt, is de waarde waarop de afnemer aanspraak heeft. Dat het recht op transport ongewijzigd blijft, ondanks het opgeven van een lagere waarde en het daarmee samenhangende lagere tarief, zoals NorthC aanvoert, getuigt van een onjuiste lezing van artikel 7.1, tweede lid van de Netcode.
3.8
Anders dan NorthC betoogt, houdt artikel 3.7.4 van de Tarievencode geen verplichting in voor de afnemer om ieder jaar een waarde van het gecontracteerd transportvermogen op te geven die gelijk is aan het verwachte daadwerkelijke gebruik dat jaar. Zoals het College heeft geoordeeld in de uitspraak van 10 februari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:47) onder 5.1, geeft de tekst van artikel 3.7.4 van de Tarievencode geen aanknopingspunten voor het oordeel dat met het daar genoemde gecontracteerd transportvermogen het daadwerkelijk gebruik van het vermogen wordt bedoeld. De in deze bepaling opgenomen verplichting betreft het opgeven van een waarde voor gecontracteerd transportvermogen. Als sprake is van een ATO waarin een gecontracteerd transportvermogen is opgenomen – zoals hier het geval is – is aan deze voorwaarde al voldaan. Omdat het gecontracteerd transportvermogen de basis is voor de capaciteitsgebonden tarifering die voor grootverbruikers zoals NorthC geldt (zie artikel 3.7.5 onder a, van de Tarievencode), is er de mogelijkheid van aanpassing van de waarde daarvan op grond van artikel 3.7.4 van de Tarievencode. Als een lagere capaciteitsbehoefte dan eerder gecontracteerd wordt verwacht, is aanpassing van die waarde zinvol om te voorkomen dat overbodig transportvermogen in rekening wordt gebracht (zie ook de uitspraak van 10 februari 2026 onder 4.3 en 4.4).
3.9
Omdat hier sprake is van een aanpassing van de waarde door NorthC zelf, is van een vergelijking met artikel 7.13 van de Netcode (onderdeel van de regeling ‘Gebruik Op Tijd Of Raak het Kwijt’) geen sprake omdat deze bepaling ziet op een verlaging door de netbeheerder.
3.1
Dit betekent dat Liander uit mocht gaan van de waarde van het gecontracteerd transportvermogen die NorthC laatstelijk heeft opgegeven op grond van artikel 3.7.4 van de Tarievencode. De ACM heeft terecht geconcludeerd dat Liander niet in strijd met de Elektriciteitswet en de Netcode heeft gehandeld.
3.11
Dit oordeel van het College betreft uitsluitend de uitoefening van de taken en bevoegdheden van Liander binnen het kader van de regulering van het transport van elektriciteit. Of de uitleg van de ATO en daaropvolgende correspondentie tussen NorthC en Liander mogelijk civielrechtelijke gevolgen heeft, kan in deze procedure geen rol spelen en is voorbehouden aan de civiele rechter (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 17 december 2019, onder 6, ECLI:NL:CBB:2019:700).
Slotsom
4 Het College zal het beroep ongegrond verklaren. De ACM hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. B. Bastein en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
w.g. M. van Duuren w.g. Y.R. Boonstra-van Herwijnen

Bijlage wettelijk kader

Elektriciteitswet 1998
Artikel 24
1. De netbeheerder is verplicht aan degene die daarom verzoekt een aanbod te doen om met gebruikmaking van het door hem beheerde net ten behoeve van de verzoeker transport van elektriciteit uit te voeren tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van dit hoofdstuk.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de netbeheerder voor het gevraagde transport redelijkerwijs geen capaciteit ter beschikking heeft. Een weigering transport uit te voeren als bedoeld in de vorige volzin is met redenen omkleed. De netbeheerder verschaft degene aan wie transport is geweigerd desgevraagd en ten hoogste tegen kostprijs de relevante gegevens over de maatregelen die nodig zijn om het net te versterken. Indien ten aanzien van duurzame elektriciteit een weigering transport uit te voeren als bedoeld in de eerste volzin plaatsvindt, meldt de netbeheerder dit aan de Autoriteit
Consument en Markt, waarbij de netbeheerder aangeeft welke maatregelen worden genomen om toekomstige weigeringen te voorkomen.
[…]
Netcode Elektriciteit
Artikel 7.1, tweede lid
De aangeslotene heeft een vast recht op transport van elektriciteit door heel Nederland tot een hoeveelheid ter grootte van het op de aansluiting gecontracteerde en beschikbaar gestelde vermogen.
Tarievencode Elektriciteit
Artikel 3.7.4
Onder gecontracteerd transportvermogen wordt verstaan dat vermogen dat een verbruiker redelijkerwijs verwacht maximaal op enig moment in het jaar nodig te hebben voor zijn aansluiting. Iedere verbruiker met een aansluiting groter dan 3x80A is verplicht om aan de netbeheerder een waarde voor het gecontracteerde transportvermogen op te geven. Deze waarde is gelijk of kleiner dan de waarde van de gewenste aansluitcapaciteit.