Uitspraak
Stichting Animal Advocacy and Protection, te Almere (Stichting AAP) (gemachtigde: mr. M. van Duijn).
31 oktober 2024 en [naam 3] tegen dat van 29 november 2024.
dr. H. Joosten (Joosten) (wetenschappelijk adviseur bij de [naam 1] ). [naam 3] is verschenen. Voor Stichting AAP zijn verschenen [naam 4] ,
[naam 5] , [naam 6] en [naam 7] . Voor de minister zijn van het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst (Adviescollege) verschenen mr. drs. J. Staman, prof. dr. J.M. Koolhaas, ing. D.R. Lammertsma, ir. M.S.P. Damen en prof. dr. J.J.M. van Alphen.
17 april 2024 314 afzonderlijke besluiten bevat tot aanwijzing of niet aanwijzing van diersoorten die gehouden mogen worden. De bestreden besluiten bevatten meerdere afzonderlijke beslissingen op bezwaar ten aanzien van individuele diersoorten die in bezwaar zijn aangevochten. Het College concludeert dat de beroepsgronden die in de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk VII worden besproken niet slagen. Een van de beroepsgronden ten aanzien van de soort dromedaris die in paragraaf 4 van hoofdstuk VII wordt besproken slaagt naar het oordeel van het College wel. Het College concludeert namelijk dat de besluitvorming ten aanzien van deze diersoort in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd voor zover de minister daarbij de beslissing tot het niet aanwijzen van deze soort heeft gehandhaafd. Het College concludeert in hoofdstuk VIII dat de beroepen daarom gegrond zijn en dat de bestreden besluiten voor zover deze beslissingen bevatten over deze diersoort voor vernietiging in aanmerking komen. Het College draagt de minister op in zoverre nieuwe besluiten op de bezwaren van appellanten te nemen.
I.Wat aan de zaken is voorafgegaan
28 januari 2015, nummer WJZ/15008282, houdende vaststelling van hoofdstuk 2 van de Regeling houders van dieren (Rhd) is een lijst vastgesteld met daarop aangewezen de huis- en hobbydieren die gehouden konden worden (de oude positieflijst) (Staatscourant 2015, nummer 2934). In tabel 1 van bijlage 1 van de Rhd waren diersoorten aangewezen die gehouden konden worden zonder toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften. In tabel 2 van diezelfde bijlage waren diersoorten aangewezen die gehouden konden worden met toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften. In tabel 3 van bijlage 2 waren diersoorten opgenomen die niet waren aangewezen en dus niet gehouden mochten worden.
17 april 2024 en het Besluit van 25 april 2024 in werking getreden.
II.Nationaal wettelijk kader en verdragskader
III.Afbakening van het geschil
IV.Is Stichting AAP als derde-partij aan te merken?
VI.Ontvankelijkheid van het bezwaar van [naam 2]
[naam 2] is naar het oordeel van het College in persoon als belanghebbende aan te merken bij dat besluit, voor zover daarin de beslissing tot het niet aanwijzen van de diersoort dromedaris is vervat. Dat hij onderzoek doet naar de eigenschappen en het welzijn van hobbymatig en professioneel gehouden dromedarissen is daarvoor voldoende. Het bezwaar van [naam 2] is dan ook terecht ontvankelijk geacht.
VII.Beoordeling van de beroepen
F. Neijenhuis en H. Hopster van Wageningen Livestock Research van mei 2018 (Neijenhuis en Hopster (2018)). Dit is echter een Nederlandstalige publicatie die niet is gepubliceerd in een peer-reviewed vaktijdschrift. Het Adviescollege heeft ook verwezen naar een artikel van Larson & Burger (2013), maar in dat artikel zelf worden vraagtekens geplaatst bij het gebruik van het criterium domesticatie.
2 oktober 2025 heeft de minister ook nog verwezen naar de figuur van Larson & Burger (2013) en de publicaties “Toetsingskader domesticatie: dertig zoogdiersoorten beoordeeld” van onder Hopster et al. (2022) en Lord et al. (2025).
IX.Proceskosten en griffierecht
€ 472,10, aan reiskosten vanuit Zwitserland, die zijn gemaakt door de door hen naar de nadere zitting meegebrachte deskundige Joosten komen ook voor vergoeding in aanmerking. Appellanten mochten ervan uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hen gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag.
€ 381,- aan appellanten te vergoeden, waarvan € 187,- in zaak 24/1034 en € 194,- in zaak 25/65.
mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.