Uitspraak
Stichting Animal Advocacy and Protection, te Almere (Stichting AAP) (gemachtigde: mr. M. van Duijn).
drs. G. Hofstra (Hofstra) (Dibevo), [naam 1] (PVH) en N.J. Schoemaker (dierenarts en universitair docent aan de Universiteit Utrecht). Voor Stichting AAP zijn verschenen
[naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . Voor de minister zijn van het Adviescollege huis- en hobbydierenlijst (Adviescollege) verschenen mr. drs. J. Staman,
prof. dr. J.M. Koolhaas, ing. D.R. Lammertsma, ir. M.S.P. Damen en
prof. dr. J.J.M. van Alphen.
17 april 2024 314 afzonderlijke besluiten bevat tot aanwijzing of niet-aanwijzing van diersoorten die gehouden mogen worden. Het bestreden besluit bevat meerdere afzonderlijke beslissingen op bezwaar ten aanzien van individuele diersoorten die in bezwaar zijn aangevochten. Het College concludeert dat de beroepsgronden die in de paragrafen 2 en 6 van hoofdstuk VI worden besproken niet slagen. Een beroepsgrond die in paragraaf 3 van hoofdstuk VI wordt besproken slaagt deels, de overige in die paragraaf besproken beroepsgronden niet. Enkele van de beroepsgronden die in de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk VI worden besproken slagen naar het oordeel van het College ten aanzien van een aantal diersoorten, te weten de dromedaris, de jak, de chinchilla, de Russische dwerghamster en de katoenrat. Het College concludeert namelijk dat de besluitvorming ten aanzien van deze diersoorten in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd voor zover de minister daarbij de beslissingen tot het niet aanwijzen van die soorten heeft gehandhaafd. Het College concludeert in hoofdstuk VIII dat het beroep daarom gegrond is en dat het bestreden besluit voor zover het beslissingen bevat over deze diersoorten voor vernietiging in aanmerking komt. Het College draagt de minister op in zoverre nieuwe besluiten op de bezwaren van appellanten te nemen.
28 januari 2015, nummer WJZ/15008282, houdende vaststelling van hoofdstuk 2 van de Regeling houders van dieren (Rhd) is een lijst vastgesteld met daarop aangewezen de huis- en hobbydieren die gehouden konden worden (de oude positieflijst) (Staatscourant 2015, nummer 2934). In tabel 1 van bijlage 1 van de Rhd waren diersoorten aangewezen die gehouden konden worden zonder toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften. In tabel 2 van diezelfde bijlage waren diersoorten aangewezen die gehouden konden worden met toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften. In tabel 3 van bijlage 2 waren diersoorten opgenomen die niet waren aangewezen en dus niet gehouden mochten worden.
17 april 2024 en het Besluit van 25 april 2024 in werking getreden.
artikel 1 van Pro het Besluit huis- en hobbydierenlijst aan te kunnen vechten, hoefden appellanten anders dan Stichting AAP heeft betoogd, geen rechtsmiddelen aan te wenden tegen de Regeling van 17 april 2024 waarbij de oude positieflijst is ingetrokken, voor zover dat al mogelijk zou zijn. De minister moest namelijk, gelet op het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren, opnieuw beoordelen of diersoorten voor aanwijzing in aanmerking kwamen en moest daarover beslissingen nemen.
11 september 2002, Pfizer Animal Health SA tegen Raad van de EU, punten 171 en 172 (ECLI:EU:T:2002:209) (Pfizer)).
zorgvuldigheids-, motiverings- en voorzorgsbeginsel. Als gevolg daarvan is de huis- en hobbydierenlijst volgens hen niet gebaseerd op objectieve en niet-discriminerende criteria en is deze niet (geheel) gebaseerd op de meest betrouwbare wetenschappelijke gegevens en de meest recente resultaten van het internationale onderzoek. Zij voeren hiertoe verschillende argumenten aan.
Grofmazigheid beoordeling en aantal en weging risicofactoren en -categorieën
4 Domesticatie
2 oktober 2025 heeft de minister ook nog verwezen naar de figuur van Larson & Burger (2013) en de publicaties “Toetsingskader domesticatie: dertig zoogdiersoorten beoordeeld” van Hopster et al. (2022) en “A universally applicable definition for domestication” van Lord et al. (2025).
5 Overige specifieke diersoorten
2 oktober 2025 namelijk erkend dat de soort katoenrat in Nederland niet voorkomt, maar uitsluitend buiten de EU. De soort katoenrat wordt dus hoogstens geïmporteerd. Zoals onder 17.3 is overwogen dient de minister er vanwege de geldende EU-regelgeving van uit te gaan dat dieren niet afkomstig zijn uit wildvang, tenzij ze in de EU in het wild voorkomen en gevangen kunnen worden. De minister heeft zijn besluitvorming in zoverre niet mogen baseren op het advies van het Adviescollege. Het bestreden besluit is voor zover de minister daarbij de beslissing tot het niet aanwijzen van de soort katoenrat heeft gehandhaafd onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
6 Evenredigheidsbeginsel
7.Overige beroepsgronden
mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.