ECLI:NL:CBB:2026:21

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
22/2176 en 23/1432
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van derogatievergunning en oplegging van boete wegens overschrijding van gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen

In deze uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 27 januari 2026, wordt de intrekking van de derogatievergunning van een vennootschap die een melkveehouderij exploiteert, behandeld. De vennootschap had in 2018 een derogatievergunning die haar toestond om meer stikstof uit dierlijke mest te gebruiken dan de reguliere norm. Echter, na controle door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bleek dat de vennootschap de gebruiksnorm met 174 kg stikstof had overschreden. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft daarop de derogatievergunning ingetrokken en een boete van € 7.018,95 opgelegd. De vennootschap ging in hoger beroep tegen deze besluiten.

De rechtbank had het beroep van de vennootschap ongegrond verklaard, maar het College oordeelt dat de minister de boete had moeten matigen. De vennootschap betoogde dat de minister de derogatienorm niet correct had vastgesteld, maar het College volgt de minister in zijn standpunt dat de best beschikbare gegevens zijn gebruikt. De rechtbank had de materiële bewijslast bij de vennootschap gelegd, wat het College bevestigt. De intrekking van de vergunning en de opgelegde boete worden in het licht van de wetgeving en het beleid van de minister beoordeeld. Het College vernietigt de eerdere uitspraak voor wat betreft de hoogte van de boete en stelt deze vast op € 6.383,-. De vennootschap wordt in het ongelijk gesteld voor het overige, en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 22/2176 en 23/1432

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaken tussen:

[naam] , te [woonplaats] (vennootschap)

(gemachtigde: A.H.J. van der Putten)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa)

Procesverloop in (hoger) beroep

22/2176
De vennootschap heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 september 2022 met zaaknummer 22/772 (niet gepubliceerd) (aangevallen uitspraak).
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
23/1432
Met het besluit van 4 augustus 2021 (intrekkingsbesluit) heeft de minister de derogatievergunning van de vennootschap voor het jaar 2018 ingetrokken en de vennootschap voor het jaar 2022 uitgesloten van deelname aan derogatie.
Met het besluit van 24 december 2021 heeft de minister het bezwaar voor zover dat was gericht tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beide zaken
De zitting was op 28 maart 2025. De zaken zijn gevoegd behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Grondslag van het geschil

1.1
De vennootschap exploiteert een melkveehouderij.
1.2
In 2018 had de vennootschap een derogatievergunning op grond waarvan zij onder voorwaarden meer stikstof uit dierlijke mest mocht gebruiken (250 kg per hectare) dan op basis van de reguliere gebruiksnorm dierlijke meststoffen is toegestaan (170 kg per hectare). De vergunningsvoorwaarden houden onder meer in dat deze en andere gebruiksnormen niet overschreden mogen worden.
1.3
Toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben de vennootschap gecontroleerd op naleving van de gebruiksnormen en derogatievoorwaarden in het jaar 2018. De toezichthouders hebben de bevindingen van hun onderzoek neergelegd in een rapport van 17 februari 2020.
1.4
Met het intrekkingsbesluit heeft de minister de derogatievergunning voor 2018 van de vennootschap ingetrokken en haar voor het jaar 2022 uitgesloten van deelname aan derogatie. Daarnaast heeft de minister met het besluit van 4 augustus 2021 (boetebesluit) aan de vennootschap boetes van in totaal € 7.018,95 opgelegd. Aan deze besluiten heeft de minister het volgende ten grondslag gelegd. Uit het door de toezichthouders van de NVWA opgemaakte rapport blijkt dat de vennootschap in 2018 de verhoogde gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 174 kg stikstof heeft overschreden en de formulieren Aanvullende Gegevens Landbouwbedrijven (AGL) 2017 en 2018 niet naar waarheid heeft ingevuld. Als gevolg hiervan heeft zij niet voldaan aan alle derogatievoorwaarden en heeft de minister de derogatievergunning voor 2018 ingetrokken. Zonder derogatievergunning geldt de lagere, reguliere gebruiksnorm dierlijke meststoffen van 170 kg stikstof per hectare. De vennootschap heeft die norm in 2018 met 3.747 kg overschreden. De overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen leidt tot een boete van € 26.229,-. De minister heeft aanleiding gezien het deel van deze boete dat het gevolg is van het verval van derogatie te matigen met 75%, omdat sprake is van een geringe overschrijding van de derogatienorm. Daarnaast heeft de minister de boete met nog eens 10% gematigd, omdat er meer dan 26 weken zaten tussen de datum waarop het boeterapport is opgemaakt en de datum waarop aan de vennootschap een boete is opgelegd. Deze matiging volgt uit het door de minister gevoerde Boetebeleid Meststoffenwet RVO (Boetebeleid). Voor het niet naar waarheid invullen van de AGL 2017 en 2018 heeft de minister twee boetes opgelegd met een totaalbedrag, na matiging, van € 300,-.
1.5
Met het besluit van 24 december 2021 heeft de minister op de bezwaren van de vennootschap tegen het boetebesluit en het intrekkingsbesluit beslist. Voor zover het besluit van 24 december 2021 betrekking heeft op het boetebesluit heeft de minister het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. De minister heeft de boete voor het niet naar waarheid invullen van de AGL 2017 laten vervallen, maar het totale boetebedrag gehandhaafd. Het beroep bij de rechtbank was tegen dit gedeelte van het besluit van 24 december 2021 gericht. Voor zover het besluit van 24 december 2021 betrekking heeft op het intrekkingsbesluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.

Aangevallen uitspraak

2.1
De rechtbank heeft het beroep van de vennootschap tegen het besluit van 24 december 2021 voor zover dit betrekking heeft op het boetebesluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, daartoe het volgende – samengevat weergegeven – overwogen.
2.2
Volgens vaste rechtspraak van het College ligt de materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de gebruiksnormen volgens het systeem van de Meststoffenwet (Msw) primair bij degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat in dit geval geen gegevens beschikbaar zijn die zijn verkregen door de gehele voorraad mest te bemonsteren en analyseren op dezelfde manier als bij aan- en afvoer van de mest. De minister gaat daarom terecht uit van de berekening van het gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalte aan de hand van de bemonstering en analyse van de in het jaar 2018 van het bedrijf afgevoerde hoeveelheden dierlijke mest. Indien de vennootschap, zoals zij heeft gesteld, meende dat het stikstofgehalte van de afgevoerde mest in maart 2018 niet representatief was voor het stikstofgehalte in de eindvoorraad drijfmest 2018, lag het op haar weg om in de loop van 2018 nogmaals het stikstofgehalte in de mest te laten bepalen. Dat heeft de vennootschap niet gedaan, met als gevolg dat er over 2018 geen andere gegevens beschikbaar waren dan de gegevens die voortvloeien uit het monster dat in maart 2018 is afgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er voor de minister geen aanleiding deze gegevens niet aan te merken als de best beschikbare gegevens en daar zijn berekeningen op te baseren. Verder is de matiging van de boete die de minister heeft toegepast in overeenstemming met zijn Boetebeleid. Omdat de minister, naast de matiging van de boete met 75%, de boete ook nog met 10% verlaagd heeft in verband met overschrijding van de redelijke termijn, is van een onevenredige sanctie volgens de rechtbank geen sprake.

Beoordeling van het geschil in (hoger) beroep

3
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Boetebesluit
Best beschikbare gegevens
4 In hoger beroep heeft de vennootschap, net als bij de rechtbank, betoogd dat zij de derogatienorm van 250 kg stikstof per hectare niet heeft overschreden. De door de minister berekende overschrijding van de derogatienorm kent, volgens de vennootschap, haar oorzaak in de vaststelling door de minister van het stikstofgehalte in de eindvoorraad rundveedrijfmest 2018. De minister heeft dit stikstofgehalte vastgesteld op het gemiddelde stikstofgehalte in de op 28 maart 2018 afgevoerde vrachten rundveedrijfmest. Maar dit gemiddelde kan volgens de vennootschap niet als ‘best beschikbare gegeven’ worden aangemerkt. Het is gebaseerd op een enkele analyse van een beperkt aantal, op één (vroeg in het jaar gelegen) dag afgevoerde vrachten mest en het wijkt te sterk af van het gemiddelde stikstofgehalte dat volgt uit de mestafvoer in eerdere jaren. Bovendien wijkt het gemiddelde af van het door de vennootschap berekende fosfaatgehalte in de in 2018 geproduceerde mest en levert het een inconsistent beeld op wat betreft de samenstelling van de mest die op gronden van het bedrijf is toegediend. Volgens de vennootschap had de minister moeten uitgaan van de mineralengehalten in de mestafvoer over 2017 of 2019 dan wel van de forfaitaire gehalten. Zou van die mineralengehalten worden uitgegaan, dan zou in 2018 geen sprake zijn geweest van een overschrijding van de derogatienorm.
5 De minister heeft – kort gezegd – aangevoerd dat hij conform de regelgeving gebruik heeft gemaakt van de best beschikbare gegevens.
6.1
Het College is het eens met de rechtbank en de minister. Uit artikel 94 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling) volgt dat het stikstof- en fosfaatgehalte van de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheden dierlijke mest wordt bepaald aan de hand van de best beschikbare gegevens. Uit de toelichting op dit artikel (Stcrt. 2005, nr. 226, blz. 59) volgt dat de best beschikbare gegevens verkregen worden door de gehele voorraad te bemonsteren en te analyseren. Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, kan gerekend worden met de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten van de in het betrokken jaar bemonsterde afgevoerde mest. Als laatste, alleen als geen afvoer heeft plaatsgevonden, kan gebruik worden gemaakt van forfaitaire gehalten. Deze invulling van ‘best beschikbare gegevens’ is ook opgenomen in het door de minister gehanteerde Boetebeleid.
6.2
Omdat gegevens over de gehele voorraad niet beschikbaar waren, heeft de minister voor de bepaling van de eindvoorraad in 2018 gerekend met de gemiddelde stikstof- en fosfaatgehalten van bemonsterde afgevoerde rundveedrijfmest in 2018. Die berekening is conform artikel 94 van de Uitvoeringsregeling. Wat de vennootschap in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt het College niet tot het oordeel dat de minister van die best beschikbare gegevens had moeten afwijken. Met de rechtbank is het College van oordeel dat als de vennootschap meende dat het stikstofgehalte van de op 28 maart 2018 afgevoerde rundveedrijfmest niet representatief was voor het stikstofgehalte in de eindvoorraad rundveedrijfmest 2018, het op de weg van de vennootschap had gelegen om in de loop van 2018 nogmaals het stikstofgehalte in de mest te laten bepalen. Daarbij merkt het College nog op dat de vennootschap in de gelegenheid was om op relatief gemakkelijke wijze de gehele mestvoorraad te bemonsteren, omdat bij de verhuizing van haar bedrijf in 2018 de gehele mestvoorraad is meeverhuisd.
6.3
De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Gevolgen overschrijding derogatienorm
7 De vennootschap heeft de overige bevindingen waarop de minister de gestelde overschrijding van de derogatienorm heeft gebaseerd, niet bestreden. Daarmee staat vast dat de vennootschap de derogatienorm heeft overschreden. Dat betekent dat voor het jaar 2018 de lagere, in artikel 9, eerste lid, van de Msw bepaalde, reguliere gebruiksnorm dierlijke meststoffen geldt. Dit volgt uit artikel 27c van de Uitvoeringsregeling. De minister heeft terecht vastgesteld dat de vennootschap de reguliere gebruiksnorm dierlijke meststoffen heeft overschreden. De minister was dus bevoegd een boete op te leggen wegens overtreding van artikel 7 van de Msw. De door de minister ter zake van die overtreding vastgestelde boete van € 6.718,95 acht het College met de rechtbank passend en geboden.
Ambtshalve beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn
8.1
Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 januari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:7)) beoordeelt het in boetezaken ambtshalve of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden.
8.2
In punitieve zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Dat is in dit geval 27 mei 2021, de datum waarop de minister het voornemen tot boeteoplegging heeft uitgebracht. Ten tijde van deze uitspraak is deze termijn met acht maanden overschreden. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de rechterlijke fase.
8.3
De minister heeft op grond van zijn beleid de boete voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen gematigd met 10% wegens het verstrijken van meer dan 26 weken tussen de datum van het boeterapport en de oplegging van de boete. Het College ziet in het gegeven dat de minister de boete al heeft gematigd wegens overschrijding van de beslistermijn aanleiding om geen verdergaande matiging toe te passen voor de overschrijding van de redelijke termijn tot zes maanden (zie de uitspraak van het College van 23 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:500), onder 5.3). Voor de overschrijding van de redelijke termijn van zes maanden tot een jaar kan plaats zijn voor een aanvullende matiging van de boete met 5% van het door de minister opgelegde gematigde boetebedrag, met een maximum van € 2.500,- (zie de uitspraak van het College van 24 september 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:660), onder 7.4). Dit betekent een aanvullende matiging van € 335,95 voor de overschrijding van de redelijke termijn tot twaalf maanden. Het College zal de boete voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen vaststellen op € 6.383,-.
Boete voor niet naar waarheid invullen van AGL 2018
9 Op de zitting heeft de gemachtigde van de vennootschap te kennen gegeven dat het hoger beroep zich niet langer richt tegen de bestuurlijke boete van € 300,- wegens het niet naar waarheid invullen van de AGL 2018, tenzij deze boete leidt tot intrekking van de derogatievergunning. Nu uit wat hiervoor onder 7 is en hierna onder 10 wordt overwogen volgt dat de overschrijding van de derogatienorm al leidt tot intrekking van de derogatievergunning over 2018, zal het College de hogerberoepsgronden van de vennootschap die zien op het niet naar waarheid invullen van de AGL 2018 niet bespreken.
Het intrekkingsbesluit
Evenredigheid van de intrekking van de derogatievergunning
10 Uit wat onder 7 is overwogen, volgt dat de vennootschap zich niet heeft gehouden aan de aan de derogatievergunning verbonden voorwaarde dat de derogatienorm niet overschreden mag worden. Hierdoor voldoet de vennootschap niet aan een van de voorwaarden voor derogatie. Dat betekent dat de minister in beginsel bevoegd was om de derogatievergunning van de vennootschap in te trekken. Dat volgt uit artikel 25b, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling. Met de intrekking van de derogatievergunning vloeit de uitsluiting van het kunnen doen van een aanvraag voor een derogatievergunning rechtstreeks voort uit artikel 25b, derde lid, van de Uitvoeringsregeling (zie de uitspraak van het College van 3 september 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:612), onder 5.3).
11.1
Omdat de intrekking van de derogatievergunning een discretionaire bevoegdheid betreft, moet de toepassing daarvan worden getoetst aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarin staat dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Artikel 3:4, eerste lid, van de Awb bepaalt daarom dat er een belangenafweging moet plaatsvinden.
11.2
Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 8 april 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:242), onder 6.4.1), is intrekking van derogatie met als automatisch rechtsgevolg uitsluiting voor het eerstvolgende jaar op zichzelf een geschikt middel om het beoogde doel, behoud van de derogatie voor de Nederlandse melkveehouders, te bereiken. In wat de vennootschap in beroep heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor de conclusie dat het intrekkingsbesluit in dit geval niet noodzakelijk en evenwichtig is. De vennootschap heeft gesteld dat het intrekkingsbesluit uitsluiting van derogatie in 2022 tot gevolg had en dat zij daardoor in 2022 extra mest van haar bedrijf moest afvoeren en extra kunstmest moest aanvoeren, maar zij heeft de financiële gevolgen daarvan niet onderbouwd. Daardoor kan niet worden beoordeeld of die financiële gevolgen onevenredig zijn met de met het besluit van 24 december 2021 te dienen doelen. Verder stelt de vennootschap dat de stapeling van de uitsluiting van derogatie in 2022 en de boete tot onevenredigheid leidt, maar er kan niet aan worden voorbijgezien dat de minister de boete juist met 75% heeft gematigd vanwege een geringe overschrijding van de derogatienorm.
11.3
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie in beide zaken
12.1
Uit het voorgaande volgt voor zaak 22/2176 dat het hoger beroep slaagt. Het College zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover het de hoogte van de boete voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen betreft. Voor het overige zal het College de aangevallen uitspraak bevestigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep tegen het besluit van 24 december 2021 gegrond verklaren voor zover het betrekking heeft op het boetebesluit en dat besluit in zoverre vernietigen. Het College zal het boetebesluit herroepen, de boete voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen vaststellen op € 6.383,- en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 24 december 2021.
12.2
Uit het voorgaande volgt voor zaak 23/1432 dat het beroep ongegrond is.
12.3
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College:
in de zaak 22/2176
- vernietigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank, voor zover het de hoogte van de boete voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen betreft;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 december 2021 gegrond voor zover dat besluit betrekking heeft op het boetebesluit en vernietigt het besluit van 24 december 2021 in zoverre;
- herroept het boetebesluit en stelt het bedrag van de boete voor het overschrijden van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen vast op € 6.383,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 24 december 2021;
- draagt de minister op het in beroep betaalde griffierecht van € 365,- aan de vennootschap te vergoeden;
- bepaalt dat de griffier van het College aan de vennootschap het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548,- terugbetaalt.
in de zaak 23/1432
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. A. Venekamp en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. A.C. van Helvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
w.g. H.L. van der Beek w.g. A.C. van Helvoort

Bijlage

Meststoffenwet
Artikel 7
Het is verboden in enig kalenderjaar op een bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen.
Artikel 8
Het in artikel 7 gestelde verbod geldt niet indien de op of in de landbouwgrond gebrachte hoeveelheid meststoffen in het desbetreffende jaar geen van de volgende normen overschrijdt:
a. de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen;
[…]
Artikel 9
1. De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, is 170 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond.
2. Bij ministeriële regeling kan een hogere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen worden vastgesteld, die van toepassing is in de gevallen en onder de voorwaarden en beperkingen, bepaald bij de regeling.
[…]
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet
Artikel 24
1. De gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 8, onderdeel a, van de wet, is 250 kilogram stikstof per hectare van de tot het bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond die voor het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen beschikbaar is.
[…]
Artikel 25
1. Uiterlijk op 31 januari van het kalenderjaar waarin de landbouwer de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid, voornemens is toe te passen, vraagt de landbouwer een vergunning aan bij de minister voor het op zijn bedrijf mogen toepassen van artikel 24, eerste en tweede lid.
2. Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij voldoet aan de voorwaarden in de derogatiebeschikking en het bepaalde in deze paragraaf en verklaart hij ermee in te stemmen dat het meststoffengebruik, alsmede het bemestingsplan en de mestboekhouding onderwerp kunnen zijn van controle.
3. Bij de aanvraag verklaart de landbouwer dat hij de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 8 van de wet, de bij of krachtens de hoofdstukken 5 en 9 in samenhang met de hoofdstukken IV, VI en X van het besluit gestelde regels, de artikelen 4b en 8a van het Besluit gebruik meststoffen en de voorschriften die uit hoofde van deze paragraaf aan hem worden gesteld naleeft.
[…]
Artikel 25b
1. De minister kan een vergunning intrekken, indien de landbouwer niet voldoet aan het bepaalde in deze paragraaf.
2. De minister trekt een vergunning voorts in, indien de landbouwer dit verzoekt.
3. Indien de minister de vergunning voor een bepaald kalenderjaar heeft ingetrokken op grond van het eerste lid, is de landbouwer voor het daaropvolgende kalenderjaar uitgesloten van het kunnen doen van een aanvraag, bedoeld in artikel 25, eerste lid.
Artikel 25c
1. De landbouwer voldoet aan de gebruiksnormen, bedoeld in artikel 8 van de wet, de bij of krachtens de hoofdstukken 5 en 9 in samenhang met de hoofdstukken IV, VI en X van het besluit gestelde regels en de artikelen 4b en 8a van het Besluit gebruik meststoffen.
[…]
[College: tot 6 juni 2018 was de inhoud van artikel 25c, eerste lid, opgenomen in art. 25, derde lid]
Artikel 27c
Indien niet wordt voldaan aan elk van de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 25, 25c, 27 en 27a, is de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet van toepassing.
[College: tot 6 juni 2018 bevatte artikel 27c geen verwijzing naar artikel 25c]
Artikel 94
1. Het gewicht van de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, derde lid, van het besluit, wordt bepaald op basis van meting van het volume en het soortelijk gewicht van deze meststoffen.
2. Het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte in de op een bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, derde lid, van het besluit, worden bepaald op basis van de best beschikbare gegevens.
3. Het gewicht, onderscheidenlijk het stikstofgehalte en het fosfaatgehalte van de op een intermediaire onderneming opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 68, vijfde lid, van het besluit, komt overeen met de onderscheiden hoeveelheden die met gebruikmaking van het in artikel 46, eerste lid, genoemde formulier, respectievelijk in artikel 46, tweede lid, genoemde andere gegevensdragers zijn berekend.
4. Onverminderd het eerste tot en met het derde lid, is de aan het begin van het kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen, gelijk aan de aan het einde van het voorafgaande kalenderjaar opgeslagen hoeveelheid dierlijke meststoffen.