Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:176

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
24/840
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Lbv-plusArt. 2 Lbv-plusArt. 4 Lbv-plusArt. 6 Lbv-plus
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag Lbv-plus wegens ontbreken veehouderij op aanvraagmoment

De maatschap heeft op 24 november 2023 subsidie aangevraagd op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) voor de onomkeerbare sluiting van haar veehouderijlocatie. De minister wees de aanvraag af omdat de maatschap op het moment van indienen geen veehouder was die een veehouderij met productierecht dreef.

De maatschap stelde dat het referentiejaar 2021 bepalend moest zijn voor de beoordeling, omdat zij toen nog zelf de locatie exploiteerde en aan de voorwaarden voldeed. Tevens verzocht zij om een schadevergoeding wegens gemaakte kosten. De minister betoogde dat de regeling vereist dat de aanvrager op het moment van indienen veehouder moet zijn en dat het referentiejaar alleen geldt voor stikstof- en productierechtberekeningen.

Het College oordeelde dat de regeling en de informatie van RVO geen grond bieden om af te wijken van het toetsmoment van de aanvraagdatum. De maatschap voldeed op dat moment niet aan de veehouderijvoorwaarde. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/840

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [woonplaats]

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigden: C. Zieleman en mr. C.J.M. Daniels)

Procesverloop

Met het besluit van 7 juni 2024 heeft de minister de aanvraag van de maatschap om subsidie uit de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) afgewezen.
Met het besluit van 3 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de maatschap tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 9 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen namens de maatschap [naam 1] en de gemachtigden van de minister.

Overwegingen

Inleiding
1 De maatschap heeft op 24 november 2023 subsidie op grond van de Lbv-plus aangevraagd voor de onomkeerbare sluiting van haar veehouderijlocatie. De minister heeft de subsidieaanvraag afgewezen, omdat de maatschap op het moment van indienen van die aanvraag niet kan worden aangemerkt als een veehouder die een veehouderij met productierecht drijft.
Standpunt van partijen
2.1
De maatschap is het niet eens met de afwijzing. Zij meent dat de minister moet uitgaan van het in de regeling genoemde referentiejaar 2021 om te bepalen of zij een veehouder is als bedoeld in artikel 1 van Pro de Lbv-plus. De maatschap exploiteerde in dat jaar de sinds 2022 verhuurde locatie nog zelf en voldeed toen aan de voorwaarden. De veehouderijlocatie ligt op 125 meter van een Natura2000 gebied en is daardoor bij uitstek geschikt voor deelname aan de Lbv-plus. Daarbij komt dat de locatie en de vergunningen (nog steeds) eigendom zijn van de maatschap. De maatschap begrijpt dat zij, als wordt uitgegaan van de datum van de aanvraag, niet in aanmerking komt voor subsidie. In dat geval verzoekt de maatschap om een schadevergoeding van € 3.500,-. De voorwaarde dat de aanvrager op het moment van indienen van de aanvraag (actief) een veehouderij moet drijven, is niet in de Lbv-plus opgenomen. Dit is ook nooit gecommuniceerd door RVO, door de belangenorganisaties LTO Nederland (Landbouw- en Tuinbouworganisatie Nederland) en POV (Producenten Organisatie Varkenshouderij) en door de media. Als deze voorwaarde vooraf kenbaar was geweest, zou de maatschap nooit een aanvraag hebben ingediend. Nu heeft zij kosten moeten maken voor het indienen van de aanvraag, het beantwoorden van de door de minister aanvullende vragen en het opstellen van het bezwaar- en beroepschrift.
2.2
De minister stelt dat de aanvraag terecht is afgewezen. Als uitgangspunt geldt dat de subsidieaanvrager op het moment van indienen van de aanvraag moet voldoen aan de in regeling gestelde voorwaarden, tenzij in de regeling een peildatum of referentiejaar is opgenomen. In de Lbv-plus wordt uitsluitend een referentiejaar (2021) gehanteerd voor de berekening van de stikstofvracht en de berekening van de omvang van het minimaal door te halen productierecht. Uit de tekst van artikel 4, eerste lid, van de Lbv volgt dat een subsidie alleen kan worden verstrekt aan een aanvrager die op het moment van indienen van de subsidieaanvraag als veehouder in de zin van de regeling kwalificeert, en (dus) op dat moment een veehouderij met een productierecht drijft. De maatschap drijft vanaf de verhuur op 18 augustus 2022 zelf geen veehouderij meer. Een toewijzing zou in strijd zijn met de Europese staatssteunregels. De minister volgt de maatschap niet in haar stelling dat zij onjuist is voorgelicht over de voorwaarden voor deelname aan de regeling. Op de website van RVO staat onder ‘Voorwaarden Lbv-plus’ niet vermeld dat de aanvrager, om voor subsidie in aanmerking te komen in het jaar 2021, veehouder moest zijn.
Beoordeling van het beroep
3.1
Het begrip veehouder is in artikel 1 van Pro de Lbv-plus gedefinieerd als ‘natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat een veehouderij drijft’. De minister kan een veehouder die een veehouderij met productierecht drijft op aanvraag subsidie verstrekken voor de onomkeerbare sluiting van een veehouderijlocatie (artikel 4, eerste lid, van de Lbv-plus). Als de veehouder op de veehouderijlocatie niet daadwerkelijk een veehouderij met productierecht of een vleeskalverhouderij drijft en voor zover de desbetreffende productiecapaciteit niet onafgebroken gedurende de vijf jaren voorafgaande aan het tijdstip van indiening van de aanvraag op bedrijfseconomisch gangbare wijze gebruikt is, wordt de aanvraag van de veehouder afgewezen (artikel 6, eerste lid, van de Lbv-plus).
3.2
Niet in geschil is dat de maatschap op het moment van indienen van de aanvraag niet kan worden aangemerkt als veehouder als bedoeld in artikel 1 van Pro de Lbv-plus.
3.3
De Lbv-plus, evenals de informatie op de website van RVO, biedt geen aanknopingspunt voor het standpunt van de maatschap dat op een ander moment dan het moment van indienen van de aanvraag moet worden beoordeeld of de aanvrager voldoet aan de voorwaarde van het zijn van veehouder als bedoeld in artikel 1 van Pro de Lbv-plus. De minister heeft terecht gesteld dat het door de maatschap genoemde referentiejaar (2021) niet ziet op het toets moment waarop aan de hiervoor genoemde voorwaarde moet zijn voldaan. De tekst van artikel 2 van Pro de Lbv-plus, waarin staat in welk verband het referentiejaar wordt gebruikt, is op dit punt ook duidelijk.
3.4
De conclusie is dat de minister de subsidieaanvraag van de maatschap terecht heeft afgewezen.
Verzoek om schadevergoeding
4 Nu het bestreden besluit niet onrechtmatig is, bestaat geen aanleiding voor schadevergoeding.
Conclusie
5 Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.
6 Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. R.W.L. Koopmans en mr. A. van Gijzen, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
w.g. A. Venekamp w.g. C.E.C.M. van Roosmalen