De maatschap heeft op 24 november 2023 subsidie aangevraagd op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) voor de onomkeerbare sluiting van haar veehouderijlocatie. De minister wees de aanvraag af omdat de maatschap op het moment van indienen geen veehouder was die een veehouderij met productierecht dreef.
De maatschap stelde dat het referentiejaar 2021 bepalend moest zijn voor de beoordeling, omdat zij toen nog zelf de locatie exploiteerde en aan de voorwaarden voldeed. Tevens verzocht zij om een schadevergoeding wegens gemaakte kosten. De minister betoogde dat de regeling vereist dat de aanvrager op het moment van indienen veehouder moet zijn en dat het referentiejaar alleen geldt voor stikstof- en productierechtberekeningen.
Het College oordeelde dat de regeling en de informatie van RVO geen grond bieden om af te wijken van het toetsmoment van de aanvraagdatum. De maatschap voldeed op dat moment niet aan de veehouderijvoorwaarde. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.