ECLI:NL:CBB:2026:135

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
24/190
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 4 Handelsregisterbesluit 2008Artikel 5, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a en e Handelsregisterbesluit 2008Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen inschrijving bestuurder Vereniging van Eigenaars in handelsregister

De zaak betreft het beroep van een voormalig bestuurder van een Vereniging van Eigenaars (VvE) tegen de inschrijving van zijn bestuursfunctie in het handelsregister per 30 oktober 2023. De Kamer van Koophandel (KvK) had deze inschrijving gedaan naar aanleiding van een opgave van de bestuurder zelf, maar het bezwaar van de bestuurder tegen deze inschrijving werd door de KvK ongegrond verklaard.

De bestuurder stelde dat hij al per 18 april 2017 als bestuurder had moeten worden ingeschreven en dat de KvK ten onrechte wijzigingen in het handelsregister had doorgevoerd tussen 2017 en 2023. De KvK betoogde dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens misbruik van recht, omdat de uitschrijving uit 2017 onherroepelijk was en de bestuurder deze steeds opnieuw aanvocht.

Het College oordeelde dat geen sprake was van misbruik van recht, omdat de bestuurder een redelijk doel nastreefde, namelijk een correcte inschrijving zonder hiaten. De inschrijving per 30 oktober 2023 was gebaseerd op de opgave van de bestuurder zelf en de KvK had geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De eerdere uitschrijving per 18 april 2017 was onherroepelijk en er waren geen nieuwe feiten die aanleiding gaven deze terug te draaien.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de KvK hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de inschrijving van de bestuurder in het handelsregister wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/190

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats]

en

de Kamer van Koophandel

(gemachtigde: mr. B.A. van den Enden)

Procesverloop

Met het besluit van 13 november 2023 (inschrijvingsbesluit) heeft de Kamer van Koophandel (KvK) de opgave van [naam] als bestuurder van de Vereniging van Eigenaars [adres] (VvE) per 30 oktober 2023 in het handelsregister ingeschreven.
Met het besluit van 11 januari 2024 (bestreden besluit) heeft de KvK het bezwaar van [naam] tegen het inschrijvingsbesluit ongegrond verklaard.
[naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De KvK heeft een verweerschrift ingediend.
[naam] heeft op het verweerschrift gereageerd.
De VvE is in de gelegenheid gesteld aan het geding deel te nemen als derde partij. De VvE heeft hier geen gebruik van gemaakt.
De zitting was op 14 januari 2026. Aan de zitting heeft [naam] deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding
1.1
Deze zaak gaat over de inschrijving in het handelsregister van VvE-bestuurslid [naam] . [naam] was eerst eigenaar van het gehele pand aan de [adres] in [woonplaats] . Op 20 oktober 1993 is dit pand gesplitst in vier appartementsrechten, waarvan [naam] er één in eigendom heeft gehouden. De VvE bestaat sindsdien uit de vier appartementseigenaren. Sinds 1 oktober 2009 is de VvE ingeschreven in het handelsregister. Naar aanleiding van een opgave van de VvE is [naam] op 18 april 2017 door de KvK uitgeschreven als bestuurder van de VvE. [naam] heeft dit besluit zonder succes aangevochten bij de bestuursrechter, waardoor het onherroepelijk is geworden. Vanaf 18 april 2017 is het bestuur van de VvE gevormd door een combinatie van (één van) de bewoners en professionele VvE beheerders. Dit heeft tot verschillende inschrijvingen in het handelsregister geleid. Een aantal van deze besluiten heeft [naam] aangevochten bij de bestuursrechter, maar deze procedures hebben (op één na) geen succes gehad.
1.2
Uit een opgave van 15 november 2022 van één van de professionele VvE beheerders, MVGM Vastgoed B.V., bleek dat eerder gedane opgaven die de KvK per 1 augustus 2022 had geregistreerd in het handelsregister, zonder instemming van MVGM Vastgoed B.V. waren gedaan. MVGM Vastgoed B.V. was naar eigen zeggen nooit bestuurder van de VvE geweest. Om die reden heeft de KvK bij besluit van 21 november 2022 de betrokken inschrijvingen ingetrokken en het handelsregister daarop aangepast. De intrekkingen brachten volgens de KvK geen verandering in de uitschrijving van [naam] per 18 april 2017. Volgens [naam] zijn er in de periode 2017 – 2022, na zijn uitschrijving, frauduleuze handelingen verricht die de VvE financieel hebben benadeeld. Na 2022 heeft [naam] daarom meermaals, maar zonder succes, om (her)inschrijving als bestuurder van de VvE verzocht.
1.3
Op 30 oktober 2023 heeft [naam] nogmaals een opgave gedaan om zichzelf als bestuurder van de VvE in het handelsregister in te schrijven. Deze opgave was voorzien van alle benodigde bewijsstukken. Met het besluit van 13 november 2023 heeft de KvK deze opgave ingeschreven per 30 oktober 2023. Ondanks het positieve besluit heeft [naam] toch bezwaar gemaakt. Volgens [naam] had de KvK hem per 18 april 2017 als bestuurder moeten inschrijven. Ook heeft de KvK in de ogen van [naam] ten onrechte wijzigingen doorgevoerd in het handelsregister in de periode tussen 18 april 2017 en 30 oktober 2023.
1.4
De KvK heeft het bezwaar van [naam] ongegrond verklaard. De inschrijfdatum 30 oktober 2023 heeft de KvK gebaseerd op de opgave van [naam] zelf. Het staat de KvK niet vrij om te beoordelen of een andere (eerdere) inschrijfdatum zou moeten gelden. De uitschrijving van [naam] per 18 april 2017 is namelijk bestuursrechtelijk onaantastbaar geworden en niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden.
Wettelijk kader
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Standpunten van partijen
3.1
[naam] voert (ook) in beroep aan dat de KvK hem per een eerdere datum had moeten inschrijven, namelijk per 18 april 2017.
3.2
De KvK voert ten eerste aan dat het beroep van [naam] niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege misbruik van recht. Dat misbruik bestaat volgens de KvK uit het feit dat [naam] al gedurende lange tijd en telkens opnieuw zijn uitschrijving uit 2017 aan de kaak stelt. Hij doet dit over de band van verschillende besluiten die daar niet over gaan, terwijl die uitschrijving inmiddels onherroepelijk is. Voor het overige is het standpunt van de KvK dat de inschrijving is gedaan volgens de opgave van [naam] zelf. Om die reden zou het beroep ongegrond zijn volgens de KvK.
Beoordeling door het College
Is sprake van misbruik van recht?
4.1
Het College moet allereerst de vraag beantwoorden of sprake is van misbruik van recht door [naam] . Het College is van oordeel dat dit niet het geval is. Hierna licht het College toe hoe het tot dit oordeel komt.
4.2
Zoals het College eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 25 juli 2023, ECLI:NL:CBB:2023:388), zijn voor het aannemen van misbruik van recht zwaarwichtige gronden vereist. Dergelijke zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.
4.3
Hoewel [naam] eerder procedures heeft gevoerd over zijn uittreding als bestuurder per 18 april 2017 en hij dit argument in deze procedure opnieuw heeft aangevoerd, betekent dit niet automatisch dat sprake is van misbruik van recht. Met zijn beroep wil [naam] bewerkstelligen dat er geen hiaten zijn in de inschrijving van de VvE in het handelsregister en dat er een volgens hem correcte inschrijving wordt opgenomen. Dit heeft [naam] tijdens de zitting herhaald. Naar het oordeel van het College streeft [naam] daarmee geen onredelijk doel na. Anders dan de KvK meent, zijn de omstandigheden die tot de uitspraak van het College van 30 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:114) hebben geleid van een andere orde. In die zaak hadden appellanten willens en wetens een verzoek tot de KvK gericht met de vooropgezette bedoeling een bezwaar- en vervolgens beroepsprocedure op grond van de Algemene wet bestuursrecht te beginnen om op die manier opnieuw zaken die reeds uitgebreid tot in hoogste instantie door de Hoge Raad waren beslist, aan de kaak te stellen. Van een dergelijk vooropgezette bedoeling is hier naar het oordeel van het College geen sprake.
4.4
Het College oordeelt daarom dat misbruik van recht niet is vast komen te staan. Het beroep is dus ontvankelijk. Dit betekent dat het College de inhoud van het beroep zal beoordelen.
Heeft de KvK de opgave van [naam] op juiste wijze ingeschreven in het handelsregister?
5.1
[naam] stelt zich op het standpunt dat de KvK hem per 18 april 2017 als bestuurder had moeten inschrijven. Het College oordeelt dat de KvK op juiste gronden heeft besloten [naam] in te schrijven per 30 oktober 2023. Hierna licht het College toe hoe het tot dit oordeel komt.
5.2
[naam] heeft op 30 oktober 2023 een opgave van de inschrijving van zijn eigen benoeming als bestuurder gedaan. De vraag “Datum waarop de functionaris in functie is getreden” heeft [naam] met 30 oktober 2023 beantwoord. Een verslag van de
VvE-vergadering van diezelfde datum is bijgevoegd. Daaruit blijkt dat is besloten tot zijn benoeming. Op basis van deze informatie heeft de KvK de inschrijving gedaan. De inschrijving komt overeen met de stukken en de datum die [naam] zelf heeft opgegeven. De KvK had geen aanleiding aan de opgave te twijfelen.
5.3
Het betoog van [naam] dat de KvK hem met terugwerkende kracht tot 18 april 2017 als bestuurder had moeten inschrijven, slaagt niet. Vanwege de vermelde ingangsdatum van 30 oktober 2023 in de opgave had de KvK daarvoor geen enkele aanleiding. Daar komt bij dat het besluit van 5 juli 2017, waarmee [naam] per 18 april 2017 is uitgeschreven als bestuurder, met de uitspraak van het College van 11 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:668) in rechte onaantastbaar is geworden. Dat betekent dat de rechtmatigheid van die uitschrijving per 18 april 2017 in beginsel een gegeven is. Voor een uitzondering op dit uitgangspunt bestaat in dit geval geen aanleiding. Er zijn geen stukken, zoals een besluit van de VvE, waaruit blijkt dat [naam] in die periode wel bestuurder was. Ook in de omstandigheden die hebben geleid tot de intrekking van de inschrijving van MVGM Vastgoed B.V. ligt geen aanleiding om [naam] uitschrijving per 18 april 2017 terug te draaien. Die omstandigheden hadden namelijk geen betrekking op de uitschrijving per 18 april 2017, maar gingen over een latere periode (2022). Het vermoeden van gepleegde fraude dat [naam] heeft, leidt ook niet tot een ander oordeel, omdat van dat vermoeden (nog) geen strafrechtelijke beoordeling heeft plaatsgevonden.
5.4
Naar het oordeel van het College heeft de KvK op juiste gronden [naam] per 30 oktober 2023 als VvE-bestuurder ingeschreven in het handelsregister.
Conclusie
6 Het beroep is ongegrond.
7 De KvK hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, mr. D. Brugman en mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. M. Ettema

Bijlage

Handelsregisterbesluit 2008
Artikel 4
1. De Kamer onderzoekt of een opgave afkomstig is van iemand die tot het doen ervan bevoegd is, en of de opgave juist is, tenzij in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte reeds onderzoek naar gelijkwaardige eisen is verricht en hieruit blijkt dat de opgave aan de eisen voldoet.
2 De Kamer kan bij een onderzoek nadere bewijsstukken vragen.
3 Indien de Kamer ervan overtuigd is dat de opgave is gedaan door iemand die tot het doen ervan bevoegd is en van oordeel is dat de opgave juist is, gaat zij onverwijld over tot inschrijving.
Artikel 5, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a en e
1. De Kamer weigert om tot inschrijving over te gaan indien zij er niet van overtuigd is dat de opgave afkomstig is van een tot opgave bevoegd persoon.
2 De Kamer kan weigeren om tot inschrijving over te gaan indien:
a. de opgave strijdig is met een wettelijk voorschrift, het recht, de openbare orde of de goede zeden;
e. de Kamer gerede twijfel heeft over de juistheid van de opgave.