In deze zaak heeft een landbouwbedrijf hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, die een boete van € 25.734,50 had opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor meststoffen. De boete was gebaseerd op de bevindingen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de bedrijfsspecifieke excretieberekening (BEX-berekening) van het landbouwbedrijf. De vennootschap betwistte de boete en voerde aan dat de gasvormige verliezen groter waren dan in de mestproductieberekening was meegenomen. Ook stelde zij dat de begin- en eindvoorraad onjuist waren berekend en vroeg om matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft de zaak behandeld en vastgesteld dat de materiële bewijslast voor de naleving van de gebruiksnormen bij de vennootschap ligt. Het College oordeelde dat de minister de overschrijding van de gebruiksnormen terecht had vastgesteld en dat de vennootschap niet had aangetoond dat de correctiefactor in de BEX-berekening te laag was. De rechtbank had de vennootschap in het ongelijk gesteld, maar het College oordeelde dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden. Hierdoor werd de boete verlaagd tot € 22.072,77 en werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van de vennootschap.
De uitspraak van het College vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en herstelde de hoogte van de boete, waarbij het College de vennootschap in het gelijk stelde wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.