De veehouder exploiteert een vleesvarkensbedrijf en kreeg een boete opgelegd wegens overtreding van de Meststoffenwet, omdat zes vrachten 'koek na mestscheiding' fosfaatgehalten hadden die niet aansloten bij de fosfaatgehalten van de opgeslagen mest. De minister sloot de zesde vracht uit vanwege een fosfaatgehalte boven de technische bovengrens, maar nam vijf vrachten mee op basis van geschatte fosfaatgehalten.
De rechtbank vernietigde het boetebesluit en stelde de boete op nul, omdat de minister volgens de rechtbank de zesde vracht ook had moeten meenemen met een beredeneerde schatting. De minister wijzigde daarop het besluit en nam alle zes vrachten mee, wat leidde tot een lagere boete. Het hoger beroep richtte zich op de toepassing van specifieke artikelen van de Algemene wet bestuursrecht.
Het College oordeelt dat de minister terecht beredeneerde fosfaatwaarden hanteert, omdat de geanalyseerde fosfaatgehalten van de afgevoerde dikke koek niet aansluiten bij het fosfaatgehalte van de voor de scheiding gebruikte mest. De veehouder kon dit niet aantonen, waardoor het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond is. De overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot verdere matiging van de boete.