Appellant heeft op 26 oktober 2020 vier zoogdiersoorten aangemeld bij de minister met het formulier voor tijdelijke vrijstelling, met de verwachting dat deze ook beoordeeld zouden worden voor plaatsing op de huis- en hobbydierenlijst. De minister verleende de tijdelijke vrijstelling, maar heeft geen besluit genomen over de beoordeling van deze soorten. Appellant stelde de minister in gebreke en startte vervolgens beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit.
Het College overweegt dat de aanmelding gericht was op het verkrijgen van een tijdelijke vrijstelling en niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb voor beoordeling en plaatsing op de huis- en hobbydierenlijst. Deze mogelijkheid tot aanvraag is pas per 1 juli 2024 ingevoerd. Omdat geen aanvraag is ingediend, is er geen sprake van een besluit of een besluitgelijkgestelde niet-tijdige beslissing.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het College erkent de verwachting van appellant, maar benadrukt dat hij vrij is alsnog een aanvraag in te dienen volgens de nieuwe beoordelingssystematiek. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.