De zaak betreft een beroep van een landbouwer tegen het besluit van de minister van Landbouw om voor de eco-regeling het lagere tarief brons toe te kennen in plaats van goud, omdat perceel 37 niet voldeed aan de eis van minimaal 80% bedekking met het opgegeven gewas 'groene braak'.
De minister baseerde zijn besluit op diverse soorten beeldmateriaal, waaronder luchtfoto's, satellietbeelden en teledetectiebeelden, waaruit bleek dat het perceel in de periode van 31 mei tot 31 augustus 2023 onvoldoende bedekt was met het opgegeven gewas. De landbouwer stelde dat het perceel wel volledig bedekt was met spontaan opgekomen gewassen, maar dat teledetectie dit niet kon vaststellen omdat het gewas al was uitgebloeid.
Het College oordeelde dat de minister op juiste wijze gebruik heeft gemaakt van het beeldmateriaal en dat het aan de landbouwer was om aannemelijk te maken dat zijn interpretatie van de beelden correct was. De landbouwer slaagde hier niet in. Ook het argument dat de droge zomer als overmacht had moeten worden gemeld, werd verworpen omdat geen melding was gedaan.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. Het College bevestigde daarmee de rechtmatigheid van het lagere tarief brons voor de eco-regeling op perceel 37.