ECLI:NL:CBB:2025:131
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in vergunningprocedure taxidiensten
Appellant diende op 17 mei 2021 een verzoek om schadevergoeding in bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam vanwege het niet verlenen van een vergunning voor taxidiensten. Dit verzoek werd op 19 juli 2021 afgewezen. Vervolgens verzocht appellant op 30 augustus 2022 het College van Beroep voor het bedrijfsleven om schadevergoeding wegens deze weigering, waarbij ook vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd gevorderd.
Tijdens de zitting op 23 januari 2025 troffen appellant en het college van burgemeester en wethouders een schikking over het verzoek om schadevergoeding voor het niet verlenen van de vergunning, waarna appellant dit verzoek introk. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bleef gehandhaafd.
Het College beoordeelde dat de procedure van 30 augustus 2022 tot 23 januari 2025 ruim twee jaar en vijf maanden duurde, wat de redelijke termijn overschrijdt. Er waren geen omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigden. Daarom werd de Staat veroordeeld tot betaling van €500 aan appellant als vergoeding voor immateriële schade. Tevens werd de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten van €453,50 aan appellant.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €500 schadevergoeding en €453,50 proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.