ECLI:NL:CBB:2024:917
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ongegrond in zaak over proceskostenverdeling en redelijke termijn bestuursprocedure
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 17 december 2024 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2024. Het hoger beroep betrof de proceskostenverdeling en de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure.
De appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 0,5 had toegepast bij de proceskostenvergoeding en dat er onterecht geen vergoeding was toegekend voor de bezwaarfase, die lang had geduurd en waarbij het bezwaarschrift aanvankelijk niet-ontvankelijk was verklaard. Het College oordeelde dat de toegepaste wegingsfactor correct was, aangezien deze alleen betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn en niet op het materiële geschil.
Verder bevestigde het College dat de rechtbank terecht geen proceskostenvergoeding toekende voor de bezwaarfase, omdat de beroepsgronden over de overtreding niet slaagden en de boete verder terecht was opgelegd. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te betalen.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.