Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2024 in de zaken tussen
handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (onderneming)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De onderneming heeft verzocht om herziening van eerdere afwijzingsbesluiten van subsidieaanvragen op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q4 2020 en Q1 2021. De minister wees deze verzoeken af omdat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De onderneming stelde dat de minister onredelijk handelde door de herziening te weigeren, mede omdat eerdere jurisprudentie inzake de startdatum van bedrijfsactiviteiten niet werd toegepast.
Het College overwoog dat een rechterlijke uitspraak geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt in de zin van artikel 4:6 Awb Pro. De minister mocht het verzoek afwijzen omdat de onderneming geen nieuwe feiten had aangevoerd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie niet vergelijkbaar was met eerdere zaken waarin de minister wel herziening toestond.
Het College concludeerde dat de minister terecht het herzieningsverzoek afwees en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die het oordeel dat de weigering evident onredelijk was, konden rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard.