ECLI:NL:CBB:2024:65
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen keuze referentieperiode TVL-subsidie op basis van inschrijfdatum handelsregister
De onderneming had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de referentieperiode voor de berekening van de TVL-subsidie over het eerste kwartaal van 2022. Zij wilde in plaats van het tweede kwartaal van 2019, het derde kwartaal van 2019 als referentieperiode laten gelden, omdat zij pas op 1 april 2019 met haar activiteiten was begonnen, ondanks dat de inschrijving in het handelsregister op 7 februari 2019 plaatsvond.
Het College oordeelt dat de regeling duidelijk voorschrijft dat voor ondernemingen die tussen 31 december 2018 en 1 oktober 2019 voor het eerst zijn ingeschreven, de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de inschrijfdatum in het handelsregister. De feitelijke startdatum van de activiteiten is niet relevant voor de bepaling van de referentieperiode.
De onderneming voerde aan dat zij niet eerder kon starten vanwege juridische belemmeringen en dat dit een bijzondere omstandigheid is. Het College stelt echter dat dergelijke omstandigheden niet leiden tot afwijking van de regeling, tenzij er zeer uitzonderlijke situaties zijn zoals brand of ernstige ziekte, wat hier niet het geval is.
De eerdere jurisprudentie waarop de onderneming zich beroept, is niet van toepassing omdat de regeling sinds het eerste kwartaal van 2021 is aangepast. De wijziging van de omschrijving in het handelsregister van 'oprichting' naar 'exploitatie' verandert niets aan de inschrijfdatum.
Daarom verklaart het College het beroep ongegrond en hoeft de minister geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de gehanteerde referentieperiode voor de TVL-subsidie wordt ongegrond verklaard.