ECLI:NL:CBB:2024:63
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidieaanvraag vaste lasten financiering COVID-19 wegens te late indiening
De zaak betreft een beroep tegen de afwijzing van een subsidieaanvraag voor de vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) over het eerste kwartaal van 2022, omdat de aanvraag niet tijdig was ingediend. De minister had de aanvraag als pro-forma aangemerkt en afgewezen, en het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming voerde aan dat zij niet op de hoogte was van de verkorte indieningstermijn en dat eerdere kwartalen een ruimere termijn kenden. Zij stelde dat de afwijzing in strijd was met het doel en de strekking van de regeling en dat de minister geen belangenafweging had gemaakt. Ook werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en op een schending van de hoorplicht.
Het College oordeelde dat artikel 4:46 Awb Pro niet van toepassing is omdat het hier gaat om een afwijzing van een te late aanvraag, niet om subsidievaststelling. Het vasthouden aan de termijn is een dwingende afwijzingsgrond en de onderneming had zelf de verantwoordelijkheid om de voorwaarden tijdig te kennen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de minister een eerdere fout niet hoeft te herhalen. De hoorplicht is niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Het College concludeert dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de subsidieaanvraag wordt terecht afgewezen wegens niet-tijdige indiening.