ECLI:NL:CBB:2024:588

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
21 augustus 2024
Zaaknummer
22/1461
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaarschrift subsidie afgewezen

De stichting heeft verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin het beroep van de stichting tegen het besluit van de minister van Economische Zaken tot niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaarschrift was afgewezen. Het bezwaarschrift was ingediend tegen een subsidiebesluit van 23 juni 2021, maar was te laat ingediend op 21 september 2021, terwijl de termijn tot 4 augustus 2021 liep.

De stichting stelde dat zij door miscommunicatie en onduidelijkheid over notificatie-e-mails niet tijdig bezwaar kon maken. Tijdens de zitting verklaarde de voorzitter van de stichting dat hij twee notificatie-e-mails ontving op de dag van het besluit, waarvan de tweede niet werd geopend omdat men dacht dat alles in orde was. Ook was er op die dag telefonisch contact geweest met een medewerker van de minister, die uitleg gaf over de bezwaarprocedure.

Het College oordeelde echter dat de stichting onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de termijnoverschrijding niet aan haar kan worden toegerekend. De stichting kon geen verklaring geven waarom het bezwaarschrift pas op 21 september werd ingediend. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en het eerdere oordeel bevestigd dat het bezwaar niet-ontvankelijk is wegens te late indiening. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzet van de stichting wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens te late indiening.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/1461

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2024 op het verzet van

Stichting [naam 1], te [woonplaats] (de stichting)

Procesverloop

De stichting heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 21 februari 2023.
De zitting was op 17 juli 2024. Namens de stichting hebben [naam 2] , voorzitter, en [naam 3] , penningmeester, aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

1. Met de uitspraak van 21 februari 2023 heeft het College het beroep van de stichting tegen het besluit op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) van 8 juni 2022 ongegrond verklaard. Met dat besluit heeft de minister het bezwaar van de stichting tegen het besluit van 23 juni 2021 tot vaststelling van de eerder verleende subsidie op nihil, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
2 Vaststaat dat het besluit van 23 juni 2021 op die dag op de juiste wijze, digitaal, bekend is gemaakt. De laatste dag waarop tijdig een bezwaarschrift kon worden ingediend was dus 4 augustus 2021. Het op 21 september 2021 ingediende bezwaarschrift is daarom te laat. Eveneens staat vast dat de minister op de dag van de bekendmaking een notificatie e-mail heeft verzonden aan het juiste, door de stichting (al) bij haar aanvraag om verlening van de subsidie opgegeven, e-mailadres en dat de stichting deze ook heeft ontvangen.
3.1
In het bezwaarschrift is als reden voor de te late indiening vermeld dat de stichting op 17 juni 2021 naar aanleiding van een verzoek om aanvullende informatie van diezelfde dag telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van de minister en dat deze de stichting nog zou berichten. Helaas is dat niet gedaan en is op 23 juni 2021 het besluit tot vaststelling van de subsidie gevolgd. Daarna is nog regelmatig in de digitale omgeving gekeken en daarin stond steeds dat er recht was op een bedrag.
3.2
Op de zitting heeft de voorzitter van de stichting verklaard dat hij op 23 juni 2021 kort na elkaar twee notificatie e-mails heeft ontvangen. De eerste was een bevestiging dat de minister de op 17 juni 2021 gevraagde aanvullende informatie had ontvangen en verwerkt. De tweede had, zoals pas later duidelijk werd, betrekking op het besluit van 23 juni 2021. Die tweede notificatie e-mail heeft de voorzitter toen niet geopend omdat hij er gelet op de inhoud van de eerste notificatie e-mail van uitging “dat het wel goed zat”.
3.3
In het besluit op bezwaar is vermeld, en de stichting heeft dat niet weersproken, dat er op de dag van de notificatie e-mails, 23 juni 2021, nog telefonisch contact is geweest tussen de stichting en een medewerker van de minister. Daarin is gevraagd op welke manieren bezwaar kon worden gemaakt tegen de definitieve vaststelling van de subsidie en de medewerker heeft daar uitleg over gegeven.
4 In het geheel van deze omstandigheden, gevoegd bij het gegeven dat de stichting geen verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat zij het bezwaarschrift heeft ingediend op
21 september 2021 en niet eerder, ziet het College onvoldoende grond om te oordelen dat de termijnoverschrijding niet aan de stichting kan worden toegerekend in de zin van de uitspraak van het College van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31).
5 De conclusie is dat de uitspraak van 21 februari 2023 juist is. Het verzet zal daarom ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het beroep van de stichting niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
6 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, mr. R.W.L. Koopmans en
mr. M. Schoneveld, in aanwezigheid van E.A. van der Meel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. E.A. van der Meel