Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 augustus 2024 in de zaak tussen
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat)
Procesverloop
artikel 8 van Pro de Regeling niet in de weg aan de naheffing. Zoals het College eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 augustus 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:421, onder 6), is een op grond van de Regeling opgelegde heffing pas verschuldigd vanaf het moment dat de heffing is opgelegd en is de inningstermijn vermeld in artikel 8 van Pro de Regeling niet dwingend. Alleen als bij de gebroeders [naam 1] de verwachting zou zijn gewekt dat geen naheffing meer zou volgen, zou dit ertoe kunnen leiden dat deze in strijd is met de rechtszekerheid. Dat is echter niet aan de orde. Zoals de minister heeft aangevoerd, heeft de NVWA bij brief van 12 juni 2019 bericht dat het rapport van bevindingen van belang was voor de uitvoering van de Regeling en dat het rapport daarom zou worden gedeeld met de RVO (de minister). Hierop hebben de gebroeders [naam 1] bij brief van 24 juni 2019 de NVWA verzocht om de bevindingen uit het rapport nog niet met de RVO te delen. Bij de gebroeders [naam 1] kon dus geen gerechtvaardigde verwachting bestaan dat geen naheffing zou volgen. Het beroep van gebroeders [naam 1] op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt gelet op het voorgaande niet.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 761,90 aan de gebroeders [naam 1] voor immateriële schade;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 1.238,10 aan de gebroeders [naam 1] voor immateriële schade;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van de gebroeders [naam 1] tot een bedrag van € 218,75;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van de gebroeders [naam 1] tot een bedrag van € 218,75.
Bijlage
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
De geldsommen, bedoeld in de artikelen 4 en 6, worden door de minister uiterlijk ingewonnen in de tweede maand die volgt op de maand waarover de geldsom is verschuldigd.
1. Onze Minister kan bij in de Staatscourant bekend te maken regeling de verplichting opleggen tot het betalen van een geldsom terzake van een of meer der in het tweede lid van dit artikel genoemde gedragingen. Een zodanige regeling wordt slechts vastgesteld: