Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 augustus 2024 in de zaak tussen
Maatschap [naam 1] , te [plaats] ( [naam 1] )
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) (de Staat)
Procesverloop
43 vaarzen ouder dan 27 maanden zonder kalfdatum aanwezig op het bedrijf. Volgens de minister is de eerste kalfleeftijd doorgaans ongeveer 26 maanden. Dit was aanleiding voor nader onderzoek van de NVWA op het bedrijf van [naam 1] .
43 runderen zijn voor vijftien runderen bevestigd door DNA-onderzoek, waarbij een match is gevonden met nakomelingen. Verder kwamen de uiterlijke kenmerken van de overige
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 761,90 aan [naam 1] voor immateriële schade;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 1.238,10 aan [naam 1] voor immateriële schade;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan [naam 1] te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 2.843,75;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 218,75.
Bijlage
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
De geldsommen, bedoeld in de artikelen 4 en 6, worden door de minister uiterlijk ingewonnen in de tweede maand die volgt op de maand waarover de geldsom is verschuldigd.
1. Onze Minister kan bij in de
Staatscourantbekend te maken regeling de verplichting opleggen tot het betalen van een geldsom terzake van een of meer der in het tweede lid van dit artikel genoemde gedragingen. Een zodanige regeling wordt slechts vastgesteld: