Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2024 op het hoger beroep van:
[naam 1] B.V., te [plaats] , [naam 1]
De Nederlandsche Bank N.V., (DNB)
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
€ 48.500,- aan kosten voor het doorlopend toezicht bij [naam 1] in rekening gebracht. Aan die berekening heeft DNB de totale (groeps)omzet van [naam 1] uit 2019 van € 800.295,-, zoals volgt uit het jaarverslag over 2019, ten grondslag gelegd.
Uitspraak van de rechtbank
4.1. In de Wet bekostiging financieel toezicht 2019 (Wbft), het Besluit bekostiging financieel toezicht 2019 (Bbft) en de Rbft wordt uitsluitend gesproken over de maatstaf ‘omzet’ en niet over ‘omzet uit directieverlening en domicilieverlening’. De wetgever heeft DNB als toezichthouder dus niet voorgeschreven de door [naam 1] bepleite beperking tot ‘omzet uit directieverlening en domicilieverlening’ te hanteren. Hierin is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat DNB het heffingsbesluit niet mocht baseren op de totale (groeps)omzet van [naam 1] over het jaar 2019.
5.2. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank [naam 1] niet in haar betoog dat het Bbft in strijd is met de Wbft voor zover daarin voor trustkantoren een andere maatstaf wordt gehanteerd voor het bepalen van de omzet dan voor andere instellingen. De rechtbank kan [naam 1] overigens niet volgen in haar stelling dat voor haar niet voorspelbaar was dat zij substantieel hogere toezichtheffingen tegemoet kon zien als zij in enig jaar hogere omzetten genereert die niet vallen onder de reikwijdte van het toezicht door DNB. Uit de toepasselijke wet- en regelgeving volgt dat voor trustkantoren (enkel) wordt gekeken naar de omzet. Daarnaast heeft DNB in haar brief van 24 augustus 2020 aan [naam 1] te kennen gegeven dat een omzetbeperking ten aanzien van enkel directieverlening en domicilieverlening niet zou worden toegepast. [naam 1] had dus ruim voorafgaand aan het heffingsbesluit kunnen vaststellen wat de hoogte van de heffing over het jaar 2020 zou worden.
24 augustus 2020 op gewezen.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
1°. het geven van juridisch advies of het verlenen van bijstand, met uitzondering van het verrichten van receptiewerkzaamheden;
2°. het verzorgen van belastingaangiften en daarmee verband houdende werkzaamheden;
3°. het verrichten van werkzaamheden in verband met het opstellen, beoordelen of controleren van de jaarrekening of het voeren van administratie;
4°. het werven van een bestuurder voor een rechtspersoon of vennootschap;
5°. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen aanvullende werkzaamheden;
c. het verkopen van of bemiddelen bij de verkoop van rechtspersonen;
d. het zijn van een trustee in opdracht van een niet tot dezelfde groep behorende natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap;
e. andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen diensten;”
Beslissing
23 april 2024.