ECLI:NL:CBB:2024:229

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
22 maart 2024
Zaaknummer
22/163
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenvergoeding en schadevergoeding na herziene beslissing op bezwaar inzake TVL-subsidie

In deze uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 26 maart 2024, wordt het verzoek van de ondernemer om proceskostenvergoeding en schadevergoeding behandeld. De ondernemer had eerder beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van de minister van Economische Zaken en Klimaat, die betrekking had op een aanvraag voor subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021. De minister had op 22 november 2022 een herziene beslissing op bezwaar genomen, waarin het bezwaar gegrond werd verklaard en TVL-subsidie werd toegekend. De ondernemer trok op 24 november 2022 het beroep in, maar verzocht tegelijkertijd om proceskostenvergoeding en schadevergoeding.

De zitting vond plaats op 13 november 2023, waar de ondernemer een herzieningsverzoek deed met betrekking tot eerdere besluiten over TVL-aanvragen. De minister had dit verzoek op 8 december 2023 afgewezen. Het College oordeelde dat de ondernemer niet aannemelijk had gemaakt dat hij schade had geleden door het late besluit van de minister, en wees het verzoek om schadevergoeding af. Ook het verzoek om schadevergoeding vanwege misgelopen subsidies werd afgewezen, omdat de ondernemer niet kon aantonen dat hij recht had op een hogere subsidie.

Het College concludeert dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden, maar dat het door de ondernemer betaalde griffierecht van € 184,- wel vergoed moet worden. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor de ondernemer om schade en causaal verband aan te tonen in dergelijke procedures.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/163

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2024 in de zaak tussen

[naam 1] handelend onder de naam [naam 2], te [woonplaats] (de ondernemer)
(gemachtigde: mr. B.J.W.M. Raaijmaakers)
en

de minister van Economische Zaken en Klimaat

(gemachtigden: mr. S.M. Piron en mr. M. Beudeker)

Procesverloop

De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen de oorspronkelijke beslissing op bezwaar van 3 januari 2022 van de minister. Die beslissing op bezwaar heeft betrekking op de aanvraag van de ondernemer voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021.
De minister heeft op 22 november 2022 een herziene beslissing op bezwaar genomen, waarin het bezwaar gegrond is verklaard en TVL-subsidie is toegekend.
De ondernemer heeft op 24 november 2022 het beroep ingetrokken en gelijktijdig verzocht om een proceskostenvergoeding en een schadevergoeding. De minister heeft gereageerd op het verzoek.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 13 november 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen namens de ondernemer [naam 1] , bijgestaan door gemachtigde mr. B.J.W.M. Raaijmaakers, en namens de minister mr. S.M. Piron en mr. M. Beudeker.
Op de zitting heeft de ondernemer een herzieningsverzoek gedaan met betrekking tot de eerdere besluiten over de TVL-aanvragen van de ondernemer voor de periode juni tot en met september 2020 en het vierde kwartaal van 2020. De minister heeft bij besluit van 8 december 2023 het herzieningsverzoek afgewezen. De ondernemer heeft het College in een reactie van 31 januari 2024 laten weten het verzoek om schadevergoeding ten aanzien van deze besluiten niet in te trekken.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Inleiding en oordeel
Deze uitspraak gaat over het verzoek van de ondernemer om vergoeding van de proceskosten voor de beroepsprocedure en het verzoek om schadevergoeding. Het verzoek om schadevergoeding gaat over twee schadeposten: gemiste inkomsten doordat de herziene beslissing op bezwaar pas vlak voor de geplande zitting is genomen; en misgelopen subsidies, doordat in eerdere besluiten dezelfde fout zou zijn gemaakt als in de oorspronkelijke beslissing op bezwaar. De ondernemer heeft daarnaast aangegeven aanspraak te maken op dwangsommen vanwege niet tijdig beslissen.
Het College wijst de verzoeken af. Het College legt hierna uit hoe het tot dat oordeel is gekomen en wat daarvan de gevolgen zijn.

Het verzoek om proceskostenvergoeding

3. De ondernemer verzoekt om een proceskostenvergoeding voor het beroepschrift en voor de voorbereiding van de geplande zitting over het beroep. De minister heeft namelijk de herziene beslissing op bezwaar vlak voor de geplande zitting van 24 november 2022 genomen en de gemachtigde had de zaak al voorbereid.
4. In het bestuursrecht wordt de proceskostenvergoeding vastgesteld aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Voor rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een forfaitair stelsel. Binnen dat stelsel kan onder meer een vergoeding worden toegekend voor een beroepschrift en voor het verschijnen op zitting. In dit geval zijn er echter geen posten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het beroep is namelijk door de ondernemer zelf ingesteld en van beroepsgronden voorzien. De gemachtigde heeft enkel aanvullende stukken ingediend. Ook is de gemachtigde niet verschenen op de zitting, aangezien het beroep voor de zitting is ingetrokken. Binnen het forfaitaire stelsel is daarom geen ruimte om een proceskostenvergoeding toe te kennen. Naar het oordeel van het College is geen sprake van bijzondere omstandigheden die tot afwijking van het forfaitaire stelsel zouden moeten leiden.
5. Overigens heeft de minister vanwege het late moment van de herziene beslissing op bezwaar aan de ondernemer uit coulance toegezegd één punt voor de zitting te willen vergoeden. Dat gaat echter buiten deze procedure om.
6. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt afgewezen, aangezien er geen kosten zijn die voor vergoeding in aanmerking komen.

Het verzoek om schadevergoeding vanwege misgelopen inkomsten

7. De ondernemer verzoekt om een schadevergoeding vanwege gemiste inkomsten, doordat de herziene beslissing op bezwaar pas vlak voor de geplande zitting is genomen. De ondernemer heeft daardoor de dag waarop de zitting was gepland (24 november 2022) onnodig vrijgehouden. Hij kon daardoor dat jaar niet op de beurzen [naam 3] in [plaats] (24-26 november) en de [naam 4] (25 november-1 december) staan. Toen de herziene beslissing op bezwaar binnenkwam was het niet meer mogelijk om daar alsnog aan deel te nemen. Als de oorspronkelijke beslissing op bezwaar goed was geweest of als de herziene beslissing op bezwaar eerder was genomen, had dat nog wel gekund. De ondernemer schat in € 6.500 aan winst te hebben misgelopen op de [naam 3] en op de [naam 4] € 18.000,- winst te hebben misgelopen. Als onderbouwing heeft de ondernemer facturen van inkoopkosten en standkosten voor beurzen meegestuurd.
8. De minister stelt zich op het standpunt dat het causale verband tussen het besluit en de schade niet aannemelijk is gemaakt. Volgens de minister is niet aangetoond dat de ondernemer aan de beurzen zou deelnemen en dat het nodig was dat de ondernemer zelf bij de opbouw of de beurs aanwezig zou zijn. Ook is er geen direct verband, omdat niet het besluit zelf maar de zitting ertoe heeft geleid dat afgezien is van de beurzen. De ondernemer had ervoor kunnen kiezen de zitting te laten verplaatsen, maar heeft daar niet voor gekozen. Daarnaast is de hoogte van de schade niet aannemelijk gemaakt.
9. Het College is bevoegd op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb een verzoek om schadevergoeding toe te wijzen tot een bedrag van €25.000,- als sprake is van een onrechtmatig besluit. De minister heeft de oorspronkelijke beslissing op bezwaar ingetrokken en in plaats daarvan de herziene beslissing op bezwaar genomen. Daarmee staat de onrechtmatigheid van de oorspronkelijke beslissing op bezwaar vast.
10. Het is aan de ondernemer om aannemelijk te maken dat hij schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming en wat de omvang daarvan is (zie de uitspraak van het College van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CBB:2022:701).
11. Het College oordeelt dat de ondernemer hierin niet is geslaagd. Voor zover al kan worden aangenomen dat de ondernemer wilde deelnemen aan de beurzen, maar heeft afgezien van aanmelding vanwege de datum van de oorspronkelijke zitting, geldt het volgende. De ondernemer heeft facturen ingestuurd van inkoopkosten in het algemeen en standkosten voor andere beurzen. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat de gestelde schade is geleden, omdat die facturen geen inzicht geven in de kosten en opbrengsten van de misgelopen beurzen. De ondernemer had dat inzicht wel kunnen geven, aangezien hij naar eigen zeggen eerdere jaren wel op deze beurzen gestaan heeft en dus een beeld had van de specifieke kosten en opbrengsten. Of er een causaal verband is tussen de gestelde schade en de onrechtmatige besluitvorming, hoeft daarom niet meer beoordeeld te worden.
12. Het College wijst het verzoek om schadevergoeding af, omdat de ondernemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de gestelde schade vanwege het missen van de [naam 3] en de [naam 4] heeft geleden.

Het verzoek om schadevergoeding vanwege misgelopen subsidies

13. De ondernemer verzoekt verder om een schadevergoeding vanwege misgelopen TVL-subsidie, doordat in eerdere TVLbesluiten dezelfde fout zou zijn gemaakt als in de oorspronkelijke beslissing op bezwaar. In de herziene beslissing op bezwaar is uitgegaan van SBIcode 47.89.1 in plaats van 46.22. Daar staat een kostenpercentage van 15% voor in plaats van 11%. De ondernemer stelt dat dit bij de TVL-aanvragen voor juni tot en met september 2020 en voor het vierde kwartaal van 2020 ook fout is gegaan en dat hij daardoor € 3.340,36 te weinig aan TVL-subsidie heeft ontvangen, met daarnaast nog een hogere toeslag voor Opslag Voorraad Gesloten Detailhandel. De ondernemer stelt daarnaast dat hij door de onjuiste SBI-code geen aanvraag kon indienen voor Subsidie vaste lasten voor evenementenondernemingen (VLE) en de Tijdelijke Regeling Subsidie Evenementen COVID-19 (TRSEC). Volgens de ondernemer blokkeerde het aanvraagformulier bij de onjuiste SBI-code.
14. De minister stelt zich op het standpunt dat de besluiten onherroepelijk zijn en formele rechtskracht hebben. Er moet dus van uitgegaan worden dat ze rechtmatig zijn. De VLE-subsidie kon ook met de oude SBI-code aangevraagd worden.
15. Op de zitting is besproken dat wat de ondernemer vraagt eigenlijk een verzoek om herziening van de TVL-besluiten van 1 juli 2021 en 4 augustus 2021 is. De ondernemer wil alsnog de bij de juiste SBI-code horende, hogere TVL-subsidie voor de twee eerdere periodes krijgen. De minister heeft op de zitting gesteld dit als een herzieningsverzoek te beschouwen en daarover een besluit te nemen.
16. In een besluit van 8 december 2023 heeft de minister het herzieningsverzoek afgewezen. In een brief van 31 januari 2024 heeft de ondernemer aan het College laten weten dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit van 8 december 2023. Hij heeft ook laten weten dat hij geen reden ziet om het verzoek om schadevergoeding ten aanzien van de eerdere TVL-besluiten in te trekken, omdat hij het voeren van extra procedures over de herziening wil voorkomen.
17. Of er voor de periode juni tot en met september 2020 en het vierde kwartaal van 2020 alsnog een hogere TVL-subsidie moet worden verleend is onderwerp van de bezwaarprocedure over het herzieningsverzoek. Het is nu aan de minister (en niet aan het College) om daarover te beslissen. De onrechtmatigheid van het besluit is nog niet gebleken. Daarom wijst het College het verzoek om schadevergoeding vanwege de eerdere TVL-besluiten af. De ondernemer kan na de bezwaarprocedure eventueel opnieuw een schadeverzoek doen.
18. Het verzoek om schadevergoeding in verband met het mislopen van subsidie op grond van de VLE en de TRSEC wijst het College af. De aanvraag voor VLE kon, zoals de minister terecht stelt, ook gedaan worden met de onjuiste SBI-code. De ondernemer heeft daarnaast geen onderbouwing aangedragen voor zijn stelling dat hij heeft geprobeerd een aanvraag voor VLE-subsidie en TRSEC-subsidie te doen, maar vastliep in het aanvraagformulier.

De aanspraak op dwangsommen vanwege niet tijdig beslissen

19. De ondernemer maakt aanspraak op dwangsommen in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing door de minister.
20. Naar het oordeel van het College is er geen grondslag voor het toekennen van dwangsommen. Met de oorspronkelijke beslissing op bezwaar heeft de minister op het bezwaar beslist. Daarmee is de periode waarbinnen de minister in gebreke was geëindigd. In de oorspronkelijke beslissing op bezwaar zijn al dwangsommen toegekend voor de overschrijding van de beslistermijn tot dat moment. Dat een herziene beslissing op bezwaar wordt genomen betekent niet dat de minister daarna alsnog in gebreke was. Hij heeft met het nemen van de oorspronkelijke beslissing op bezwaar al aan zijn verplichting om op het bezwaar te beslissen voldaan. De ondernemer kan geen aanspraak maken op (verdere) dwangsommen.

Conclusie en gevolgen

21. Het College wijst de verzoeken van de ondernemer af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
22. Omdat de minister in de herziene beslissing op bezwaar is tegemoetgekomen aan het beroep, moet de minister op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel het door de ondernemer betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

Het College:
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 184,- aan de ondernemer te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. M.C. Stoové en mr. M. van der Knijff, in aanwezigheid van mr. T.D. Geldof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.
w.g. M. van Duuren w.g. T.D. Geldof