In deze zaak heeft een pluimveeslachthuis hoger beroep ingesteld tegen een boete opgelegd door de minister wegens overtreding van Europese hygiënevoorschriften. De procedure kende een lange doorlooptijd, waarbij de redelijke termijn voor de gehele bestuursrechtelijke procedure in drie instanties werd overschreden.
De redelijke termijn begon met het voornemen tot boeteoplegging op 29 september 2015 en liep tot de uitspraak van het College van Beroep op 26 maart 2024, een periode van ruim acht jaar. De rechtbank Rotterdam had eerder geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg niet was overschreden vanwege bijzondere omstandigheden, een oordeel dat in hoger beroep niet is bestreden.
Het College constateerde dat de redelijke termijn voor de hoger beroepsfase van twee jaar met ruim een jaar en vijf maanden was overschreden. Dit rechtvaardigt een immateriële schadevergoeding. Omdat de boete in hoger beroep is herroepen, wordt de compensatie niet in de vorm van boetematiging gegeven, maar als een schadevergoeding van €1.500,00, gebaseerd op €500 per half jaar overschrijding.
De Staat wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding. Proceskosten zijn reeds in een andere uitspraak toegewezen, zodat hier geen proceskostenveroordeling volgt.