Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Partijen
[naam 2], te [plaats] (de ondernemer),
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De ondernemer had beroep ingesteld tegen de beslissing van de minister van Economische Zaken en Klimaat om de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) subsidie op nul te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen. De kern van het geschil betrof de vraag of de verkoopopbrengst van een bedrijfsauto in het derde kwartaal van 2021 moest worden meegerekend bij de omzetbepaling.
De minister baseerde zich op de omzet zoals die blijkt uit de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2021, inclusief de verkoop van de bedrijfsauto. Volgens de regeling moet de onderneming minimaal 30% omzetverlies hebben om in aanmerking te komen voor de subsidie. De ondernemer stelde dat de verkoopopbrengst niet meegeteld moest worden, omdat dit een eenmalige bate zou zijn.
Het College oordeelde dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet volgens de aangifte omzetbelasting, omdat de wetgever dit heeft gekozen ter beperking van administratieve lasten en vanwege de uitvoerbaarheid. De verkoopopbrengst van de bedrijfsauto behoort volgens de omzetbelastingregels tot de omzet en moet dus worden meegerekend. Hierdoor voldoet de onderneming niet aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de TVL-subsidie blijft op nul vastgesteld vanwege onvoldoende omzetverlies.