ECLI:NL:CBB:2023:747

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 december 2023
Publicatiedatum
9 januari 2024
Zaaknummer
22/2113
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omzetbepaling voor TVL-subsidie bij verkoop bedrijfsauto

De zaak betreft een beroep van een onderneming tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat om de TVL-subsidie voor het vierde kwartaal van 2020 vast te stellen op nul euro en het betaalde voorschot terug te vorderen. De onderneming stelde dat de verkoopopbrengst van een bedrijfsauto niet tot de omzet mocht worden gerekend, omdat dit de omzet in het subsidieperiode kunstmatig verhoogde.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet zoals die blijkt uit de aangifte omzetbelasting. De regelgever heeft bewust gekozen voor deze methode om de uitvoerbaarheid te waarborgen en administratieve lasten te beperken. Het College heeft in eerdere uitspraken bevestigd dat dit uitgangspunt niet onrechtmatig is en dat de TVL-regeling geen ruimte biedt om hiervan af te wijken.

De verkoopopbrengst van de bedrijfsauto behoort volgens de aangifte omzetbelasting tot de omzet en het College zag geen reden om hiervan af te wijken. De onderneming kreeg daarom geen gelijk en het beroep werd ongegrond verklaard. De uitspraak werd mondeling gedaan op 14 december 2023 door mr. D. Brugman.

Uitkomst: Het beroep van de onderneming wordt ongegrond verklaard en de subsidie wordt vastgesteld op nul euro.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/2113
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2023 in de zaak tussen

[naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats]

(de onderneming),
en

de minister van Economische Zaken en Klimaat

(gemachtigden: S.F. Hu en W. Dam).

Procesverloop

Met het besluit van 10 juni 2021 (het vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2020 Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 1.763,52 teruggevorderd.
Met het besluit van 17 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 14 december 2023. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De minister heeft de TVL-subsidie terecht op € 0,- vastgesteld. Ook mocht de minister het betaalde voorschot terugvorderen. Het College geeft hiervoor de volgende motivering.
2 In deze zaak gaat het om de wijze waarop de omzet in de subsidieperiode is vastgesteld. Die heeft de minister vastgesteld aan de hand van de aangifte omzetbelasting.
3 Niet in geschil is dat de onderneming voor Q4 van 2020 (de subsidieperiode) niet aan de voorwaarde van ten minste 30% omzetverlies uit de TVL-regeling voldoet, als wordt uitgegaan van de omzetgegevens uit de aangifte omzetbelasting.
3 De onderneming betoogt dat de minister bij het bepalen van de omzet in de subsidieperiode, het verkoopbedrag van € 11.500,- van de bedrijfsauto buiten beschouwing moet laten. Door deze verkoop is haar aangifte omzetbelasting over het subsidiekwartaal hoger uitgevallen.
4 Het College is van oordeel dat de minister uit mocht gaan van de omzet zoals die blijkt uit de aangifte omzetbelasting en wijst daarbij op het volgende.
De regelgever heeft er, in verband met de uitvoerbaarheid en de beperking van de administratieve lasten, voor gekozen de aangifte omzetbelasting te gebruiken voor het bepalen van de omzet. Het College heeft eerder al geoordeeld dat dit geen onrechtmatig uitgangspunt is en dat de TVL geen ruimte biedt hiervan af te wijken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:5). Er bestond geen aanleiding om de opbrengst van de verkoop van de bedrijfsauto niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort de verkoopopbrengst van de bedrijfsauto immers wel tot de omzet (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 28 februari 2023, ECLI:NL:CBB:2023:105). De onderneming krijgt dus geen gelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. E.C.C. Deen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2023.
D. Brugman De griffier is verhinderd dit proces-verbaal
mede te ondertekenen.