ECLI:NL:CBB:2023:65
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- T. Pavićević
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens ontbreken spoedeisend belang
In deze zaak heeft [naam 1] BV beroep ingesteld tegen het afwijzingsbesluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat inzake de aanvraag voor subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) over het eerste kwartaal van 2021. [naam 1] verzocht om een voorlopige voorziening omdat zij financieel in zwaar weer verkeert en faillissement dreigt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een financieel belang op zich geen reden is voor een voorlopige voorziening, tenzij de vermogenspositie dusdanig wordt aangetast dat de bedrijfsvoering ernstig wordt bedreigd. Nu [naam 1] geen bedrijfsactiviteiten meer ontplooit en de vennootschap wil omzetten in een slapende vennootschap, is het spoedeisend belang onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast betwist [naam 1] de toepassing van de referentieperiode voor omzetverlies in de TVL-regeling en stelt zij dat zij vanwege haar startdatum en omzetontwikkeling een afwijkende referentieperiode zou moeten kunnen kiezen. De voorzieningenrechter vindt dat deze juridische vragen niet in deze spoedprocedure kunnen worden beantwoord en dat deze in de bodemprocedure aan de orde komen.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en zal het beroep op een aparte zitting worden behandeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en de juridische vragen worden in de bodemprocedure behandeld.