ECLI:NL:CBB:2023:594
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 voor startende horecazaak door toepassing vaste referentieperiode
De onderneming, een restaurant dat in juni 2020 is ingeschreven, verzocht om subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor Q4 2021 en Q1 2022. De minister wees de aanvragen af omdat de onderneming niet voldeed aan de voorwaarden van minimaal 20% respectievelijk 30% omzetverlies en vaste lasten van ten minste €1.500,-.
De onderneming stelde dat de minister onjuist de referentieperiode hanteerde voor de omzetverliesberekening, omdat zij pas na verlening van de horecavergunning en het einde van de lockdown kon starten met haar activiteiten. Zij beriep zich op een eerdere uitspraak van het College waarin het begrip 'start van de activiteiten' nader was ingevuld.
De minister verwees naar het ontbreken van een hardheidsclausule in de TVL en benadrukte dat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen van de vaste referentieperiode kan worden afgeweken. Het College concludeerde dat de regeling bewust Q3 2020 als referentieperiode hanteert voor ondernemingen die na 30 maart 2020 zijn ingeschreven en dat de minister niet bevoegd is hiervan af te wijken.
Het College oordeelde dat de omstandigheden van de onderneming niet als bijzonder of uitzonderlijk kunnen worden aangemerkt en dat de eerdere jurisprudentie niet van toepassing is op de huidige regeling. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de onderneming tegen de afwijzing van de TVL-subsidie wordt ongegrond verklaard en de subsidieaanvragen worden afgewezen.