Appellante is door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beboet wegens overtreding van dierenwelzijnsvoorschriften, specifiek het veroorzaken van vangletsel bij vleeskuikens. De boete van €3.000 is opgelegd nadat een toezichthouder van de NVWA op 15 maart 2019 in een slachthuis een post mortem keuring uitvoerde en een vangletselpercentage van 2,67% constateerde, boven de handhavingsnorm van 2%.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het letsel door het ruw vangen op stal was ontstaan en niet tijdens transport of het slachtproces. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de vaststelling van het letsel en de oorzaak daarvan onvoldoende was onderbouwd, onder meer vanwege mogelijke kleurenblindheid van de toezichthouder en onduidelijkheid over de CO2-concentratie tijdens het slachtproces.
Het College van Beroep stelde vast dat het rapport van bevindingen op ambtseed was opgesteld en dat de minister op basis daarvan mocht vertrouwen. Het College verwierp de stellingen van appellante en bevestigde dat het letsel is ontstaan tijdens het vangen. De boete werd passend geacht vanwege de ernst van de overtreding en het recidivekarakter.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de boete bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.