ECLI:NL:CBB:2023:248
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing forfaitaire vaststelling subsidie vaste lasten MKB COVID-19
In deze zaak heeft een dansschool beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat waarin de subsidie voor de financiering van vaste lasten (TVL) over de periode juni-september 2020 forfaitair werd vastgesteld op basis van een percentage vaste lasten van 18%, behorend bij de SBI-code 85.52.1. De dansschool stelde dat haar werkelijke vaste lasten hoger zijn en vergelijkbaar met die van sportscholen en ijsdansscholen, waarvoor een hoger forfaitair percentage geldt, en dat de regeling daardoor in strijd is met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel.
Het College oordeelt dat de forfaitaire systematiek, gebaseerd op CBS-gegevens per branche, gerechtvaardigd is vanwege het belang van uitvoerbaarheid en beperking van administratieve lasten. Het feit dat de werkelijke vaste lasten van de dansschool hoger kunnen zijn, leidt niet tot strijd met het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel. Ook het feit dat de subsidie 50% van de berekende vaste lasten bedraagt, is niet onredelijk.
Daarnaast stelt het College vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden. De minister wordt daarom veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 500 aan de dansschool. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.