ECLI:NL:CBB:2023:134
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidieaanvraag TVL wegens onvoldoende omzetverlies op basis van btw-aangifte
Appellante, een advocatenkantoor, had een subsidieaanvraag ingediend voor de vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) over het eerste kwartaal van 2021. De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet voldeed aan de voorwaarde van minimaal 30% omzetverlies, berekend op basis van de omzetbelastingaangiften.
Appellante voerde aan dat het omzetverlies moest worden berekend op basis van het aantal gedeclareerde uren, aangezien zij slechts enkele keren per jaar btw-aangifte doet. Verweerder handhaafde het standpunt dat de omzet moet worden vastgesteld op basis van de btw-aangifte conform artikel 2.2.2, vijfde lid, van de TVL-regeling.
Het College oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor de btw-aangifte als maatstaf voor de omzet om uitvoerbaarheid en administratieve lasten te beperken. De uitzondering in het zesde lid was niet van toepassing omdat appellante btw-plichtig is. Omdat de omzet in zowel het referentie- als subsidiejaar op nul werd aangegeven, voldeed appellante niet aan de omzetverliesnorm. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Verder stelde het College dat het bestuursorgaan niet verplicht is een eerdere fout te herhalen, waarmee de eerdere foutieve toekenning over Q4 2020 niet tot herhaling hoeft te leiden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag TVL wegens onvoldoende omzetverlies wordt ongegrond verklaard.