De zaak betreft het hoger beroep van [naam 1] B.V. tegen de aanwijzing van De Nederlandsche Bank (DNB) wegens tekortkomingen in de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Sanctiewet (Sw). DNB had geconstateerd dat [naam 1] onvoldoende cliëntenonderzoek verrichtte, geen adequaat transactiemonitoringsysteem had en onvoldoende sanctiescreening toepaste. Ondanks herstelpogingen waren de overtredingen bij het moment van de aanwijzing nog niet beëindigd.
De rechtbank Rotterdam had de aanwijzing in stand gelaten en het College van Beroep bevestigt deze beslissing. Het College oordeelt dat DNB bevoegd was de aanwijzing op te leggen en dat deze niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat de overtredingen ernstig en langdurig waren en [naam 1] onvoldoende voortvarend had gehandeld.
Het College wijst erop dat [naam 1] als betaaldienstverlener een eigen wettelijke verantwoordelijkheid draagt voor naleving van de Wwft en Sw, ongeacht dat klanten ook door banken worden gescreend. De negatieve gevolgen van de aanwijzing wegen niet op tegen het belang van handhaving. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.