Appellant, een voormalige honden- en kattenfokker, kreeg een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Na bezwaar werden enkele maatregelen herroepen, maar twee maatregelen bleven gehandhaafd: het hebben van een Uniek Bedrijfsnummer (UBN) en het zorgen voor toereikende behuizing van dieren.
Appellant stelde beroep in tegen het bestreden besluit, maar het College constateerde dat de looptijd van de last onder dwangsom inmiddels was verstreken zonder dat dwangsommen waren verbeurd. Tevens erkende appellant tijdens de bezwaarfase dat hij aan de maatregel betreffende de behuizing had voldaan door de tussenwanden te renoveren, en verweerder verklaarde dat appellant niet langer bedrijfsmatig honden houdt, waardoor het UBN niet meer nodig is.
Het College oordeelde dat appellant geen procesbelang had bij de beoordeling van het beroep, omdat het besluit feitelijk was uitgewerkt en geen toekomstig belang meer diende. Ook het streven naar vergoeding van griffierecht bood onvoldoende grond voor procesbelang. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en appellant kreeg het griffierecht vergoed.