Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellante
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Procesverloop
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. M. van der Most, verbonden aan Wageningen Bioveterinary Research te Lelystad (WBR). Voor verweerder is verder verschenen drs. A. Rozendaal.
Overwegingen
(drinkwater-)gevaccineerd tegen salmonella met een tweeënvijftig weken werkzaam vaccin. In het kader van een monitoringsprogramma heeft appellante op 10 februari 2020
(routine-)monsters genomen in de vijf stallen waarin het koppel verbleef. Een geaccrediteerd laboratorium van Plukon Food heeft op 17 februari 2020 de monsters van de linker overschoentjes van de stallen 2, 4 en 5 positief bevonden op besmetting met zoönotische Salmonella enteritidis. De monsters van de rechter overschoentjes van de stallen 2, 4 en 5 zijn daarentegen negatief bevonden op besmetting met zoönotische Salmonella enteritidis.
(…)
Gallus gallusen fokkalkoenen
Salmonella enteritidisof
Salmonella typhimuriumis aangetoond in een vermeerderingskoppel van
Gallus gallusof fokkalkoenen, moeten de maatregelen in de punten 3 tot en met 5 worden getroffen.
2. a) Indien de bevoegde autoriteit de methode voor de analyse van de overeenkomstig deel B genomen monsters heeft goedgekeurd, kan zij eisen dat de maatregelen in de punten 3 tot en met 5 worden getroffen, wanneer de analyse de aanwezigheid van Salmonella enteridis of Salmonella typhimurium aantoont.
b) In de overige gevallen moeten de in de punten 3 tot en met 5 genoemde maatregelen getroffen worden, wanneer de bevoegde autoriteit op grond van de analyse van de overeenkomstig punt B genomen monsters bevestigt dat er vermoedelijk Salmonella entiridis of Salmonella typhimurium aanwezig is.
3. Niet-bebroede eieren van een koppel moeten worden vernietigd.
Dergelijke eieren mogen echter voor menselijke consumptie worden gebruikt indien zij een behandeling hebben ondergaan waarbij de uitschakeling van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium gegarandeerd is overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne.
5. Als in een broederij nog broedeieren aanwezig zijn van koppels waarin Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium aanwezig is, moeten die eieren worden vernietigd of worden behandeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.”
Salmonellaspp. bij vermeerderingskoppels van
Gallus gallus(de doelstelling van de Unie) in dat het maximumpercentage volwassen vermeerderingskoppels van Gallus gallus dat nog positief is voor
SalmonellaEnteritidis (…) (de relevante serotypes van salmonella) wordt verlaagd tot 1 % of minder.
2. Het testschema om na te gaan of de doelstelling van de Unie is verwezenlijkt, wordt in de bijlage beschreven”.
Salmonellazijn aangetroffen.
Salmonellaop de broederij verloopt zoals beschreven in punt 2.2.2.1.
Salmonellauitgevoerd op het vermeerderingskoppel en zijn nakomelingen, voordat de handelsbeperkingen worden opgeheven.
Salmonellaals bevestigd beschouwd.
Een vermeerderingskoppel wordt ten aanzien van de doelstelling van de Unie als positief beschouwd:
Salmonella(met uitzondering van vaccinstammen) zijn aangetroffen, ook als de relevante serotypen Salmonella alleen in het stofmonster worden aangetroffen; of
Salmonellaniet bevestigt, maar er bij het koppel antimicrobiële stoffen of bacteriegroeiremmers worden opgespoord.
Salmonellavan bemonstering op initiatief van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf niet werd bevestigd door de bemonstering bij officiële controles.
1. Deze afdeling is van toepassing op door Onze Minister aangewezen besmettelijke dierziekten bij:
(…)
d. het door het plaatsen van kentekenen besmet of van besmetting verdacht verklaren van gebouwen en terreinen;
(…)
De artikelen 15, vierde lid, (…) 21, eerste (…) lid, 22, eerste lid, (…) van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn van overeenkomstige toepassing ter wering en bestrijding van:
Onze Minister besluit dieren als verdacht aan te merken, indien:
(…)
c. Onze Minister redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de betreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is”.
Alleen wanneer het resultaat van het positieve monitoringsmonster niet betrouwbaar wordt geacht, kan er een verificatie onderzoek worden uitgevoerd. Het koppel en de broedeieren van het betreffende koppel op het bedrijf zelf en bij de broederij worden dan lopende het onderzoek geblokkeerd voor afvoer (…)”.
strikt genomen niet strekt tot het bestrijden van een dierziekte. Sommige typen salmonella
– waaronder Salmonella enteritidis – kunnen echter worden overgedragen van dieren op mensen (zoönotische salmonella). Artikel 103, eerste lid, van de Gwwd biedt, zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft gesteld, de basis om bij algemene maatregel van bestuur ter wering en bestrijding van ziekten, die door dieren op de mens kunnen worden overgebracht, bepalingen van deze wet geheel of gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing te verklaren. Ten aanzien van de wering en bestrijding van Salmonella enteritidis voorziet artikel 4 van Pro het Besluit zoönosen (een zogeheten verbindingsartikel) erin dat de artikelen 15, vierde lid, 21, eerste lid, en 22, eerste lid, van de Gwwd van overeenkomstige toepassing zijn. Artikel 21, eerste lid, van de Gwwd geeft verweerder de bevoegdheid tot het nemen van de nodig geachte maatregelen tot bestrijding van een besmettelijke dierziekte. In artikel 22, eerste lid, worden de te nemen maatregelen genoemd. Op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder d, kunnen gebouwen en terreinen door het plaatsen van kentekenen besmet of van besmetting verdacht worden verklaard. Anders dan appellante veronderstelt, volgt uit dit artikel niet dat het plaatsen van kentekenen een voorwaarde is voor het besmet verklaren of van besmetting verdacht verklaren van een bedrijf. Het plaatsen van kentekenen is afhankelijk van de mate van besmettelijkheid (zie de memorie van toelichting bij (de wijziging van) de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Kamerstukken II, 2000-2001, 27 685, nr. 3)). Het College is van oordeel dat verweerder het besluit tot besmetverklaring van het bedrijf van appellante terecht heeft gebaseerd op de artikelen 21 en 22 van de Gwwd. Het betoog slaagt niet.
Artikel 5, derde lid, aanhef en onder c, van deze verordening verplicht de lidstaten ertoe de in bijlage II vermelde specifieke maatregelen in zo’n nationaal bestrijdingsprogramma op te nemen. In onderdeel C van bijlage II zijn de maatregelen genoemd die moeten worden getroffen als de aanwezigheid van onder meer Salmonella enteritidis is aangetoond in een vermeerderingskoppel van Gallus gallus. Appellante voert aan dat de door haar gehouden kippen, Gallus gallus domesticus, niet gelijk kunnen worden gesteld met (vermeerderingskoppels van) de soort Gallus gallus, waarop deze verordening betrekking heeft. Nu de kippen van appellante niet (expliciet) zijn genoemd in Verordening 2160/2003, is deze verordening niet van toepassing en bestaat geen noodzaak om de dieren en de eieren te vernietigen, aldus appellante.
(uitvoerings-)Verordening 200/2010 op het pluimveebedrijf van appellante van toepassing zijn. In deze laatstgenoemde verordening wordt het kader beschreven waarin de aanwezigheid van onder meer Salmonella enteritidis bij volwassen vermeerderingskoppels van Gallus gallus moet worden opgespoord.
Daarnaast benadrukt appellante dat het koppel jong was, dat het koppel volledig (en correct) was gevaccineerd tegen onder andere Salmonella enteritidis en dat het bedrijf beschikt over een bijzonder goede biosecurity. Bovendien is het hoogst onwaarschijnlijk dat de salmonellabesmetting in slechts drie van de vijf (opeenvolgende) stallen heeft plaatsgevonden. Op het bedrijf van appellante worden iedere twee weken monsters genomen op salmonella. Voor en na de bewuste monstering waaruit een positieve uitslag kwam is geen enkele positieve uitslag bekend gemaakt. Al deze omstandigheden tezamen maken volgens appellante dat haar koppel niet was besmet en dat het waarschijnlijk is dat er bij de eerdere bemonstering op 10 februari 2020 een fout in het laboratorium is gemaakt (bijvoorbeeld het niet goed schoonmaken van apparatuur na een test met een salmonellabacterie) en dat de uitslag van de routinebemonstering aldus vals positief is geweest.
negatieveuitslag van de routinebemonstering vermoedt. Het is het College daarnaast niet duidelijk hoe de opvatting van verweerder zich verhoudt tot punt 4, tweede alinea, van de bijlage bij Verordening 200/2010. Hierin wordt immers – kort gezegd – bepaald dat een vermeerderingskoppel niet als positief wordt beschouwd, als het oorspronkelijke
positieveresultaat voor salmonella van de bemonstering op initiatief van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf niet wordt bevestigd door de bemonstering bij officiële controles. Het voorgaande doet de vraag rijzen wanneer sprake is van reden voor twijfel aan de juistheid van het positieve resultaat van de routinebemonstering en vooral of de door appellante aangevoerde omstandigheden reden voor zodanige twijfel kunnen opleveren. In het geval dat de aanwezigheid van (meerdere) negatieve testresultaten van opvolgende bemonsteringen op initiatief van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf relevant is in het kader van punt 2.2.2.2 onder c van de bijlage bij Verordening 200/2010 rijst de vraag hoeveel tijd mag worden gegund aan de exploitant om de opvolgende bemonsteringen te (laten) nemen en de onderzoeksresultaten daarvan in te sturen voordat de bevoegde autoriteit onomkeerbare vervolgmaatregelen neemt na de besmetverklaring.