Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] BV, te [woonplaats] , verzoekster,
de Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken, (COKZ), verweerster,
Procesverloop
Het COKZ heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts is voor verweerster haar directeur ir. [naam 5] verschenen.
Overwegingen
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
Het COKZ begrijpt niet goed wat de relatie is tussen de aflossing van € [bedrag] die [naam 2] vóór 1 september a.s. zal moeten doen en de discussie met het COKZ over het verkrijgen van een erkenning. Los daarvan kent deze procedure een begrenzing van € 25.000,- voor het verkrijgen van een (voorschot op een eventuele) schadevergoeding. Het COKZ stelt verder dat het verzoek om vast te stellen dat de destijds door het Productschap Zuivel verleende erkenning is verdwenen, in feite neerkomt op een verklaring voor recht dat sprake is van onrechtmatig handelen (door wie dan ook), waarvoor in het kader van een voorlopige voorzieningsprocedure geen plaats is.
Daarbij komt dat het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening zijn gericht tegen het COKZ. Het COKZ is weliswaar bevoegd tot het verlenen van erkenningen, maar het gaat om een ander soort erkenningen dan destijds onder de melkquoteringsregelingen het geval was. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat het verzoek om teruggave van de oorspronkelijke koperserkenning door COKZ niet kan worden toegewezen.
Op grond van artikel 1.1 (begripsbepalingen) van het Besluit dierlijke producten dient in dit verband onder de “ontvanger van boerderijmelk” te worden verstaan: de natuurlijke of rechtspersoon die op jaarbasis 500.000 kg of meer boerderijmelk bedrijfsmatig ontvangt van één of meer in Nederland gevestigde melkveehouders en ter zake betalingen aan de desbetreffende melkveehouders verricht, met uitzondering van boerderijzuivelbereiders.
Aangezien in artikel 2.37 van de Regeling dierlijke producten is bepaald dat een ontvanger van boerderijmelk zich ter registratie aanmeldt bij het COKZ, leidt dit tot de conclusie dat alleen de natuurlijke of rechtspersoon die ten minste 500.000 kg boerderijmelk bedrijfsmatig ontvangt, zich voor registratie dient aan te melden bij het COKZ. Verzoekster heeft dus, zo lang zij minder dan 500.000 kg boerderijmelk naar de melkfabriek laat vervoeren, geen registratie nodig van het COKZ. Die registratie komt pas in beeld wanneer verzoekster 500.000 kg melk of meer per jaar aan de melkfabriek levert.