Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin de uitbetaling van basis- en vergroeningsbetalingen voor het jaar 2020 werd vastgesteld. Verweerder had meerdere percelen afgekeurd als subsidiabele landbouwgrond vanwege verzanding en verruiging, en één perceel afgekeurd omdat het niet het gehele kalenderjaar als landbouwareaal zou kwalificeren.
Het College oordeelt dat de percelen met verzanding en verruiging terecht zijn afgekeurd, omdat deze delen niet als overwegend landbouwareaal kunnen worden beschouwd. Ten aanzien van het perceel dat in het voorjaar was ingezaaid met graszaden, stelt het College dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom dit perceel niet het gehele kalenderjaar als landbouwareaal kan worden aangemerkt, ook al was het gras later opgekomen door droogte.
Het beroep wordt daarom gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante.