Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 april 2022 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te Malta, appellante
(gemachtigden: mr. S.M.C. Nuijten en mr. F.W.J. van der Eerden),
ROT 19/3428, in het geding tussen
Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM)
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
home state) in een bankvergunning vergunde werkzaamheden kan uitoefenen in andere lidstaten (
host state) door het vrij verrichten van diensten (grensoverschrijdende dienstverlening) of door het vestigen van een bijkantoor, zonder in de host state een nieuwe vergunning te hoeven aanvragen. Daarbij wordt uitgegaan van wederzijde erkenning van de vergunningen, waarbij de host state vertrouwt op de vergunning zoals die door de home state is verleend. De bank dient wel een notificatieprocedure te volgen, zodat zowel de toezichthouder in de
home stateals die in de
host stateweet hebben van die werkzaamheden (zie Kamerstukken II, 1991-1992, 22 665, nr. 3, p. 12). De notificatieprocedure zoals geregeld in de artikelen 19 en 20 van de Tweede Bankenrichtlijn is in wezen ongewijzigd opgenomen in de vanaf 31 december 2013 geldende Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (richtlijn kapitaalvereisten ofwel CRD IV).
Single Supervisory Mechanism (SSM)) vast. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft op grond van artikel 4 van Pro die verordening de exclusieve bevoegdheid om met het oog op het prudentieel toezicht de in de deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen vergunningen te verlenen. Voor kredietinstellingen die op 3 november 2013 over een nationale vergunning beschikten, is bepaald dat zij geacht worden over een door ECB verleende vergunning te beschikken (artikel 33, vijfde lid, SSM-verordening). Verordening (EU) Nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (SSM-kaderverordening) werkt de in de SSM-verordening voorziene samenwerking tussen ECB en nationale autoriteiten verder uit. De notificatieregels zijn vastgelegd in de artikelen 11 en 12 van de SSM-kaderverordening. Voor een niet-systeem relevante bank, zoals appellante, geldt dat zij haar
(home state)toezichthouder – met inachtneming van de in artikel 35, tweede lid, van CRD IV vermelde vereisten – in kennis moet stellen van haar intentie om een bijkantoor in een andere deelnemende lidstaat te vestigen. De kennisgeving wordt door de
home statetoezichthouder doorgestuurd aan de host state toezichthouder. De
host statetoezichthouder heeft, anders dan voorheen, geen rol meer in het liquiditeitstoezicht op het bijkantoor.
home state. De notificatieprocedure voor de vestiging van een bijkantoor verschilt van de procedure voor het verrichten van diensten. De vraag is nu of artikel 2:62, aanhef en onder a, van de Wft zo moet worden gelezen dat appellante, die uitsluitend de notificatieprocedure voor grensoverschrijdende diensten naar Nederland heeft doorlopen, zich alleen bij het aanbieden van krediet vanuit Malta op deze uitzondering kan beroepen of ook bij het aanbieden van krediet via een in Nederland gelegen bijkantoor.
(p.10)
(p. 19)
(p. 21)
host stateis vervallen (zie de hiervoor weergegeven passage van de memorie van toelichting). Die letterlijke uitleg verzekert bovendien dat een bank uit een andere SSM-lidstaat die met haar ECB-vergunning in Nederland krediet verstrekt vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten, in de systematiek van de Wft in beginsel onder het gedragstoezicht van deel 4 van de Wft valt (artikel 4:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wft).
Beslissing
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt AFM op het betaalde griffierecht van € 877,- aan appellante te vergoeden;
- veroordeelt AFM in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 6.177,-.
te ondertekenen te ondertekenen