ECLI:NL:CBB:2021:85

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
26 januari 2021
Publicatiedatum
25 januari 2021
Zaaknummer
19/337
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23, derde lid, MeststoffenwetArt. 107, eerste lid, VWEUArt. 107, derde lid, sub c, VWEU
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht op grond van de Meststoffenwet afgewezen

Appellante, exploitant van een melkveebedrijf, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin het fosfaatrecht voor haar bedrijf werd vastgesteld op basis van de Meststoffenwet. Het primaire besluit betrof de vaststelling van fosfaatrechten op grond van het aantal melk- en kalfkoeien en jongvee op de peildatum 2 juli 2015. Omdat het bedrijf niet grondgebonden is, werd een generieke korting toegepast.

Appellante voerde in haar beroep aan dat het stelsel van fosfaatrechten onvoldoende is gebaseerd op de Nitraatrichtlijn en dat het besluit ongeoorloofde staatssteun inhoudt. Tevens stelde zij dat sprake was van een motiveringsgebrek in het besluit. Verweerder stelde dat het besluit zorgvuldig was genomen en voldoende was gemotiveerd, en dat het betoog over staatssteun en de Nitraatrichtlijn faalde.

Het College verwees in haar beoordeling naar eerdere uitspraken waarin deze argumenten reeds zijn verworpen. Het College concludeerde dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 26 januari 2021, waarbij de voorzitter en griffier verhinderd waren om de uitspraak te ondertekenen.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot vaststelling van fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 19/337

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2021 in de zaak tussen

V.O.F. [naam] , te [plaats] , appellante

(gemachtigde: mr. M.I.J. Toonders),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M. Piron).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld
.
Bij besluit van 8 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2020. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

Overwegingen

Relevante bepalingen
1.1
Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt verweerder het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
1.2
Artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verbiedt, kort gezegd, staatssteun, tenzij de verdragen dat wel toestaan. Artikel 107, derde lid, sub c, van het VWEU staat onder voorwaarde staatssteun toe om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken.
Feiten
2.1
Appellante exploiteert een melkveebedrijf.
2.2
In het primaire besluit is verweerder uitgegaan van 81 melk- en kalfkoeien en 81 stuks jongvee op de peildatum 2 juli 2015.
2.3
Het bedrijf van appellante is niet grondgebonden. Verweerder heeft daarom bij de toekenning van fosfaatrechten aan appellante de generieke korting berekend. De korting komt overeen met 389,39 kilogram fosfaatrecht.
De beroepsgronden
3. Appellant voert in beroep, samengevat, aan dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten, dan wel dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Deze gronden kunnen, anders dan verweerder meent, bij wege van exceptieve toetsing aan de orde komen. Appellante stelt dat er sprake is van een motiveringsgebrek.
Het standpunt van verweerder
4. Verweerder stelt dat van strijd met de Nitraatrichtlijn en het verbod op ongeoorloofde staatssteun geen sprake is. Volgens verweerder is in het bestreden besluit voldoende ingegaan op de door appellante aangevoerde gronden. Verweerder is van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd.
Bespreking van de beroepsgronden
5.1
Het betoog dat de Nitraatrichtlijn onvoldoende grondslag biedt voor het stelsel van fosfaatrechten en dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun faalt. Het College verwijst naar zijn eerdere uitspraken hierover, bijvoorbeeld de uitspraken van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) en 26 november 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:615).
5.2
Verweerder is in het bestreden besluit voldoende ingegaan op hetgeen appellante in bezwaar heeft aangevoerd. Van een motiveringsgebrek is geen sprake.
Slotsom
6.1
Het beroep is ongegrond
6.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. N.C.H. Vrijsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen de uitspraak te ondertekenen