Appellant, een notaris werkzaam bij een notariskantoor, kreeg van het Bureau Financieel Toezicht (BFT) een boete opgelegd wegens het niet naleven van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) bij de levering en hypotheekverstrekking van een pand. BFT stelde dat appellant onvoldoende verscherpt cliëntenonderzoek had verricht en ongebruikelijke transacties niet had gemeld.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de boete. Appellant ging in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het College oordeelde dat het verschil tussen de koopsom en de WOZ-waarde geen aanleiding was voor een verhoogd risico op witwassen, mede gezien de omstandigheden van het pand en de haven. Hierdoor was geen overtreding van de Wwft bij de leveringsakte vastgesteld.
Voor de hypotheekakte oordeelde het College echter dat de financiering door een niet-financiële instelling, het hoge rentepercentage en de bijzondere winstdelingsregeling wel een verhoogd risico vormden, waarvoor verscherpt cliëntenonderzoek en melding verplicht waren. De boete werd daarom gehalveerd vanwege de specifieke omstandigheden. Het College vernietigde het bestreden besluit voor zover het de leveringsakte betrof, herroept het primaire besluit en stelde de boete vast op € 18.000,-. Tevens werden proceskosten en griffierechten aan appellant toegewezen.