Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 6 juli 2021 op het hoger beroep van:
[naam 1] RA, te [plaats] , appellant
[naam 2] ( [naam 2] )
Procesverloop in hoger beroep
20 december 2019, met nummers 16/2895 Wtra AK en 18/1160 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2019:86).
Grondslag van het geschil
24 april 2012 gevraagd hoe de vergoedingen aan de heer [naam 9] tot stand zijn gekomen. De heer [naam 3] heeft toegelicht dat de uiteindelijke overnameprijzen in onderhandeling tot stand zijn gekomen. Hierbij zouden de overige aandeelhouders hebben toegegeven aan de heer [naam 9] die zijn aandelen wilde aanbieden naar het waarderingsmoment 1 januari 2010. Omdat de onderhandelingen namens de overblijvende aandeelhouders volgens de heer [naam 3] werden gevoerd door de heer [naam 11] heb ik ook hem om een nadere toelichting gevraagd. Op 21 december 2015 heeft de heer [naam 11] in een bijeenkomst op mijn kantoor, in het bijzijn van mevrouw [naam 2] en de heer [naam 12] [ [naam 12] RA RV; CBb] de uiteenzettingen van de heer [naam 3] bevestigd. Mede om een langdurige procedure te vermijden (tenminste twee jaar, waarin ook de management fee ad € 180.000 doorbetaald had moeten worden) en doordat door de verkoop van [naam 8] geld beschikbaar was voor de zittende aandeelhouders, werd volgens de heer [naam 11] gekozen voor een "quick en dirty"-oplossing. De eerder door de aandeelhouders gemaakte contractuele afspraken, onder andere inzake de opzeggingsdatum, werden hierbij opzij geschoven. De heer [naam 12] heeft in de bespreking aangegeven dat hij dit in de praktijk wel vaker ziet als iemand gedwongen weg moet.