ECLI:NL:CBB:2021:412
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrechten en individuele last onder Meststoffenwet afgewezen
Appellante, een melkveehouder die haar bedrijf had verplaatst en uitgebreid, stelde dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrechten aantastte en dat zij door onomkeerbare investeringen en vergunningen een individuele en buitensporige last ondervond. Zij voerde aan dat het stelsel niet voorzienbaar was en dat de maatregelen niet noodzakelijk waren om aan de Nitraatrichtlijn te voldoen.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en dat het stelsel noodzakelijk is voor het milieu en de volksgezondheid. De individuele last moet worden beoordeeld aan de hand van de mate van investering, vergunningen en de bedrijfsvoering op de peildatum.
Het College stelde vast dat appellante vroeg was gestart met de uitbreiding, maar bewust koos voor een gematigde groei vanwege het melkquotum. Deze keuze was niet navolgbaar, omdat al vanaf 2013 duidelijk was dat het melkquotum zou worden afgeschaft en maatregelen te verwachten waren. Er was geen bedrijfseconomische noodzaak voor de investeringen en appellante had de risico’s moeten dragen.
Het bestreden besluit was zorgvuldig genomen en voldoende gemotiveerd. De belangen van milieu en volksgezondheid wegen zwaarder dan die van appellante. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot vaststelling van fosfaatrechten wordt ongegrond verklaard.