Appellante, een erkend intermediair en transporteur van dierlijke meststoffen, werd door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beboet wegens het niet opmaken van vervoersbewijzen voor dertien vrachten mest. De boete werd opgelegd na een onderzoek van de NVWA waarbij werd vastgesteld dat meststoffen werden vervoerd van een mestbassin naar een ander bedrijf zonder de vereiste vervoersdocumenten.
De rechtbank Overijssel had de boete gematigd tot €13.338 wegens overschrijding van de beslistermijn en de redelijke termijn. Appellante stelde in hoger beroep dat sprake was van intern transport binnen haar bedrijf en dat er sprake was van dubbele beboeting, en voerde aan dat het niet tijdig toezenden van het verslag van de hoorzitting in strijd was met de procesorde.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat er geen sprake was van intern transport omdat appellante op het moment van vervoer nog geen eigenaar was van de mest. Ook werd het betoog over dubbele beboeting verworpen omdat appellante en het andere bedrijf in verschillende rollen als overtreder werden aangemerkt. Het College stelde dat het niet tijdig toezenden van het hoorzittingsverslag geen procesrechtelijke schending opleverde. De redelijke termijn begon op 8 februari 2017 en was niet overschreden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.