ECLI:NL:CBB:2021:111

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
1 februari 2021
Zaaknummer
19/562
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 MeststoffenwetArt. 5 lid 5 Richtlijn 91/676/EEG
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling fosfaatrechtenstelsel en ongeoorloofde staatssteun onder Nitraatrichtlijn

Appellant, exploitant van een melkveebedrijf, maakte bezwaar tegen het door de minister van Landbouw vastgestelde fosfaatrecht, gebaseerd op de Meststoffenwet en de Nitraatrichtlijn. Hij betoogde dat het fosfaatrechtenstelsel geen toereikende grondslag in de Nitraatrichtlijn heeft en dat het stelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert.

De minister stelde het fosfaatrecht vast op basis van de dieraantallen op 2 juli 2015, met toepassing van een generieke korting. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard waarna appellant beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Het College oordeelde dat het fosfaatrechtenstelsel voldoet aan artikel 5 van Pro de Nitraatrichtlijn en dat het stelsel door de Europese Commissie is goedgekeurd als zijnde in overeenstemming met de EU-regels voor staatssteun op milieugebied. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het fosfaatrechtenbesluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 19/562

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2021 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. E.H.E.J. Wijnen),
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigde: mr. H.S. de Lint).

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld.
Bij besluit van 12 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben afgezien van de zitting. Het College heeft vervolgens het onderzoek gesloten en bepaald dat er uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

Relevante bepalingen
1. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
Feiten
2. Appellant exploiteert een melkveebedrijf in [plaats] . Hij hield op 2 juli 2015 72 melk- en kalfkoeien en 63 stuks jongvee op zijn bedrijf.
Besluiten van verweerder
3. Verweerder heeft het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 3.768 kg. Hij is daarbij uitgegaan van de dieraantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft de generieke korting van 8,3% toegepast. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellant ongewijzigd gelaten.
Beroepsgronden
4. Appellant heeft - samengevat - aangevoerd dat artikel 5, vijfde lid, van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (de Nitraatrichtlijn) geen toereikende grondslag biedt voor het fosfaatrechtenstelsel. Dat stelsel is ook niet nodig om aan de doelstelling van de Nitraatrichtlijn te voldoen. Voor zover aanvullende maatregelen wel noodzakelijk zijn, betoogt appellant dat het fosfaatrechtenstelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert.
Standpunt van verweerder
5. Verweerder stelt zich - kort en zakelijk weergegeven - op het standpunt dat het fosfaatrechtenstelsel voldoet aan de eisen van artikel 5 van Pro de Nitraatrichtlijn en dat geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Verweerder is van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. In het bestreden besluit is hij voldoende ingegaan op de door appellant aangevoerde gronden. Voor zover nodig is de motivering van het bestreden besluit met het verweerschrift aangevuld.
Beoordeling
6. Het betoog van appellant dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met de Nitraatrichtlijn faalt. Het College wijst in dit verband op zijn vaste rechtspraak, waaronder de uitspraak van 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:219. Ook de stelling van appellant dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun slaagt niet. Zoals het College eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraken van 26 november 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:619) en 24 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:191), heeft de Europese Commissie bij beschikking van 19 december 2017 (State Aid SA.46349 (2017/N) een stelsel van verhandelbare fosfaatrechten voor melkvee in Nederland goedgekeurd. Op basis van de nagestreefde milieudoelstellingen heeft zij geconcludeerd dat het stelsel strookt met de EU-regels voor staatssteun op milieugebied.
Slotsom
7.1
Het beroep is ongegrond.
7.2
Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. I.S. Post, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2021.
De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen. de uitspraak te ondertekenen.