ECLI:NL:CBB:2019:619

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
26 november 2019
Publicatiedatum
25 november 2019
Zaaknummer
18/2497
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 MswArt. 107 lid 1 VWEURichtlijn 91/676/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Stelsel van fosfaatrechten niet in strijd met Nitraatrichtlijn en geen ongeoorloofde staatssteun

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij het fosfaatrecht voor haar bedrijf is vastgesteld. Zij betoogt dat het stelsel van fosfaatrechten in strijd is met de Nitraatrichtlijn omdat de noodzaak tot aanvullende maatregelen ontbreekt en dat het stelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert.

Het College overweegt dat het betoog over de ontbrekende noodzaak niet slaagt, verwijzend naar een eerdere uitspraak waarin de noodzaak van het fosfaatrechtenstelsel is bevestigd. Daarnaast wijst het College het betoog over ongeoorloofde staatssteun af, omdat de Europese Commissie het stelsel heeft goedgekeurd als milieumaatregel die voldoet aan de EU-regels voor staatssteun.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 26 november 2019.

Uitkomst: Het beroep tegen het fosfaatrechtenstelsel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 18/2497

uitspraak van enkelvoudige kamer van 26 november 2019 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2] ,te [plaats] , appellante,
(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij)
en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

(gemachtigden: mrs. M. Krari en M.J. Dijkstra).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.783 kilogram.
Bij besluit van 6 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
2.1
Appellante betoogt dat het stelsel van fosfaatrechten in strijd is met Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Nitraatrichtlijn). Appellante meent dat de noodzaak tot aanvullende maatregelen, zoals die bepaling vereist zich niet voordoet. Volgens appellante blijkt uit verschillende kamerstukken en berichtgevingen dat in veruit de meeste gebieden in Nederland de norm van 50mg/1 gehaald wordt. Bovendien blijkt uit de memorie van toelichting niet dat het stelsel van fosfaatrechten nodig is om aan de doelstelling van de Nitraatrichtlijn te voldoen.
2.2
Appellante betoogt subsidiair, onder verwijzing naar de Kamerstukken II 2016-2017, 34 532, nr. 18 en 19, dat het stelsel van fosfaatrechten ongeoorloofde staatssteun oplevert, omdat klaarblijkelijk niet aan de EU-nitraatnorm van 50mg/l wordt voldaan.
3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.1
Het College overweegt dat het betoog van appellante over de ontbrekende noodzaak van de invoering van het fosfaatrechtenstelsel niet kan slagen. Het College verwijst daartoe naar zijn uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291), waarin het College in rechtsoverweging 6.7.3. de noodzaak van het fosfaatrechtenstelsel, in het kader van de toets van het stelsel aan artikel 1 van Pro het EP, reeds heeft bevestigd. Het door appellante gestelde geeft geen aanleiding van dat oordeel af te wijken.
4.2
Het betoog van appellante dat het stelsel van fosfaatrechten ongeoorloofde staatssteun oplevert slaagt ook niet. De Commissie heeft bij beschikking van 19 december 2017 (State Aid SA.46349 (2017/N)) een stelsel van verhandelbare fosfaatrechten voor melkvee in Nederland goedgekeurd. Volgens de Commissie vormt de maatregel steun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Aangezien met de maatregel een duidelijke milieudoelstelling wordt nagestreefd, heeft de Commissie deze getoetst aan de EU-richtsnoeren inzake staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 en heeft de Commissie vastgesteld dat met het stelsel, conform de richtsnoeren, milieudoelstellingen worden nagestreefd die verder gaan dan de milieunormen waaraan bedrijven op grond van de EU-wetgeving moeten voldoen. Op basis van de nagestreefde milieudoelstellingen heeft de Commissie geconcludeerd dat het stelsel strookt met de EU-regels voor staatssteun op milieugebied. Gezien deze goedkeuringsbeschikking slaagt het beroep van appellant niet (vergelijk ook de uitspraak van 16 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:140, onder 5.6).
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2019.
w.g. T.L. Fernig-Rocour w.g. A. El Markai