ECLI:NL:CBB:2020:82
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Fosfaatrechtenvaststelling niet in strijd met eigendomsrecht en geen individuele buitensporige last
Appellante, een melkveebedrijf, had beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij haar fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van de Meststoffenwet. Zij stelde dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantastte en dat zij een individuele en buitensporige last droeg, mede vanwege de keuze om een nieuwe ligboxenstal als proefstal te laten aanmerken en de vertragingen die daardoor ontstonden.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarnaast is niet gebleken dat appellante een individuele en buitensporige last draagt, aangezien de groei met eigen aanwas een ondernemerskeuze is en de investeringen in mestbewerking niet leiden tot een andere beoordeling.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, achtte het College dit gebrek niet benadelend voor appellante en paste het artikel 6:22 Awb Pro toe. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar appellante kreeg vergoeding van het griffierecht en proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.