Appellant, exploitant van een melkveebedrijf, betoogde dat het fosfaatrechtenstelsel niet als noodzakelijke maatregel in de zin van de Nitraatrichtlijn kan worden aangemerkt en dat het stelsel ongeoorloofde staatssteun oplevert. Tevens voerde appellant aan dat de knelgevallenregeling onjuist werd toegepast, omdat rekening gehouden had moeten worden met de al ingezette maar niet gerealiseerde groei van het bedrijf.
Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel wel degelijk een noodzakelijke maatregel is en dat de Europese Commissie het stelsel heeft goedgekeurd als milieusteun die voldoet aan de EU-regels. Daarnaast oordeelde het College dat de minister de knelgevallenregeling correct heeft toegepast door geen rekening te houden met niet-gerealiseerde groei na de peildatum 2 juli 2015, conform eerdere jurisprudentie.
Appellant kon niet aantonen dat het stelsel een individuele en buitensporige last voor haar oplegt en faalde daarmee in haar bewijslast. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van het fosfaatrechtenstelsel en de toepassing van de knelgevallenregeling binnen de Meststoffenwet, waarbij de peildatum en de criteria strikt worden gehanteerd.